ECLI:NL:PHR:2001:AB2563
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vrijwillige beëindiging arbeidsovereenkomst zonder schriftelijke opzegging
In deze zaak stond centraal of de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring had afgelegd tot vrijwillige beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst per 1 oktober 1996. De werknemer ontkende een dergelijke verklaring en er ontbrak een schriftelijke opzegging van zijn zijde. De werkgever had echter een aangetekende brief gestuurd waarin de beëindiging werd bevestigd, waarop de werknemer pas laat reageerde.
De kantonrechter kende aanvankelijk de vordering van de werknemer toe, maar het hof vernietigde dit tussenvonnis en wees de vordering af. De Hoge Raad bevestigde dat de werkgever de bewijslast draagt en dat hoge eisen aan het bewijs worden gesteld. Toch is het niet noodzakelijk dat een schriftelijke bevestiging van de werknemer aanwezig is; een door de werkgever toegezonden schriftelijk stuk dat niet tijdig wordt weersproken, kan voldoende zijn.
De rechtbank had het bewijs zorgvuldig onderzocht en kwam tot het oordeel dat de werknemer wel degelijk een duidelijke en ondubbelzinnige wilsuiting had gedaan. De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel op een juiste rechtsopvatting berust en dat de klachten van de werknemer geen succes hebben. Het beroep werd verworpen en de werknemer werd in de kosten veroordeeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de werknemer wordt verworpen en hij wordt in de kosten veroordeeld.