ECLI:NL:PHR:2001:AB2565

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/048HR R01/049HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Cassatieregeling Nederlandse AntillenArt. 4 Cassatieregeling Nederlandse AntillenArt. 20 Advocatenlandsverordening Nederlandse AntillenArt. 46 Advocatenwet NederlandArt. 426a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tuchtrechtelijke beslissing advocaat op Nederlandse Antillen

Verzoekster was ontslagen op staande voet wegens ongeoorloofde afwezigheid en vorderde loonbetaling in kort geding, welke vordering in eerste aanleg werd afgewezen maar in hoger beroep werd toegewezen. Vervolgens diende zij een klacht in tegen haar advocaat bij de Raad van Toezicht op de Advocatuur in de Nederlandse Antillen, die ongegrond werd verklaard en bevestigd in hoger beroep door de Raad van Appel.

Verzoekster stelde beroep in cassatie in tegen de beslissing van de Raad van Appel, maar deze cassatieberoepen werden niet-ontvankelijk verklaard. Dit omdat de cassatieverzoeken niet waren ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist volgens de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Daarnaast is cassatieberoep tegen tuchtrechtelijke uitspraken uitgesloten op grond van de Advocatenlandsverordening van 1959, die een cassatieverbod bevat overeenkomstig de Nederlandse Advocatenwet. Zelfs als verzoekster tijdig en door een advocaat was vertegenwoordigd, zou de Hoge Raad zich onbevoegd hebben moeten verklaren.

De Hoge Raad concludeert daarom tot niet-ontvankelijkheid van verzoekster in haar cassatieberoepen tegen de tuchtrechtelijke beslissing van de Raad van Appel op de Nederlandse Antillen.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoepen wegens ontbreken van advocaatondertekening en cassatieverbod in tuchtrecht.

Conclusie

Nr. R 01/048-049 HR (Antillen)
Mr. M.R. Mok
Zitting 4 mei 2001
Conclusie inzake
[Verzoekster]
tegen
[Verweerster]
Edelhoogachtbaar college,
1. KORTE BESCHRIJVING VAN DE ZAAK
1.1. Naar aanleiding van een geschil over zonder toestemming van haar werkgever opgenomen vakantiedagen heeft de werkgever van [verzoekster] deze laatste wegens ongeoorloofde afwezigheid op 12 oktober 1999 op staande voet ontslagen.
[Verzoekster] heeft in kort geding doorbetaling van loon gevorderd. Het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen te Curaçao heeft deze vordering afgewezen. In hoger beroep heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie dit vonnis vernietigd en de vordering alsnog toegewezen.
1.2. Op vordering van de werkgever van [verzoekster] heeft het Gerecht in eerste aanleg bij beschikking van 28 januari 2000 de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] ontbonden.
1.3. Op 20 april 2000 heeft [verzoekster] tegen haar advocaat, [verweerster], een klacht ingediend bij de Raad van Toezicht op de Advocatuur in de Nederlandse Antillen. Zij klaagde erover dat [verweerster] haar belangen tijdens de hiervoor genoemde procedures onvoldoende heeft behartigd.
1.4. In zijn beschikking van 21 juni 2000 heeft de Raad van Toezicht de klachten van [verzoekster] - als voldoende weersproken door [verweerster] - ongegrond verklaard en de rekening van [verweerster] goedgekeurd tot een bedrag van NAf 6.109,50.
[Verzoekster] heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld bij de Raad van Appel. Bij beschikking van 28 november 2000 heeft deze Raad de beschikking van de Raad van Toezicht bevestigd.
1.5. Bij brieven van 17 en 20 februari 2001, welke beide ter griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen op (vrijdag) 1 maart 2001, heeft [verzoekster] tegen de beslissing van de Raad van Appel beroep in cassatie ingesteld.
2. ONTVANKELIJKHEID VAN DE CASSATIEBEROEPEN EN BEVOEGDHEID TOT KENNISNEMING DAARVAN
2.1. De cassatieverzoekschriften zijn ingediend door [verzoekster] zelf en niet, zoals art. 1, lid 1, van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen, in samenhang met 426a, lid 1, Rv. (art. 407, lid 3, Rv.), vereist, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad(1).
Dit betekent dat [verzoekster] in haar beroepen niet kan worden ontvangen.
2.2. Veronderstellend dat beroep in cassatie tegen uitspraken van de Raad van Appel openstaat, zou de cassatietermijn, op grond van art. 4, 2e zin, van de Cassatieregeling negen weken bedragen. De termijn voor hoger beroep bij de Raad van Appel is nl. drie weken, wat betekent dat de cassatietermijn het drievoud daarvan zou zijn.
Een cassatierekest zou daarom uiterlijk op 30 januari 2001 moeten zijn ingediend, wat betekent dat de op 1 maart 2001 bij de Hoge Raad binnengekomen cassatierekesten te laat zijn(2), wat evenzeer tot niet-ontvankelijkheid zou moeten leiden.
2.3.1. Ten overvloede wijs ik nog op het volgende.
2.3.2.1. Art. 1 van Pro de Cassatieregeling NA bepaalt dat de Hoge Raad van burgerlijke en strafzaken in de Nederlandse Antillen, in overeenkomstige gevallen, op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als van burgerlijke en strafzaken in Nederland, van een beroep in cassatie kennis neemt.
Uit de toelichting blijkt dat deze bepaling ertoe strekt de regeling voor cassatie in Nederlandse zaken in beginsel ook op cassatie in Antilliaanse zaken van toepassing te verklaren; beroep in cassatie is derhalve uitgesloten in de gevallen waarin ook in Nederlandse zaken beroep in cassatie is uitgesloten(3).
2.3.2.2. Op grond van art. 46 van Pro de Advocatenwet wordt in Nederland de tuchtrechtspraak in hoger beroep, tevens in hoogste ressort, uitgeoefend door het Hof van Discipline. Cassatieberoep bij de Hoge Raad staat derhalve niet open(4).
Het equivalent van deze bepaling voor de tuchtrechtspraak op de Nederlandse Antillen is te vinden in art. 20 van Pro de Advocatenlandsverordening (Alv) van dat land, De verordening is op 15 januari 1960 in werking getreden.
2.3.2.3 De tekst van art. 20 Alv Pro lijkt te zijn ontleend aan het oude art. 46 van Pro de Nederlandse Advocatenwet, zoals dat luidde bij de invoering van de Advocatenwet op 1 oktober 1952(5). In ongeveer gelijke bewoordingen als dat oude art. 46 bepaalt Pro art. 20 Alv Pro dat de tuchtrechtspraak ten doel heeft het weren van en beteugelen van misslagen, door de advocaten in de uitoefening van de praktijk begaan, en van inbreuken op de eer van de stand van advocaten.
De tuchtrechtspraak wordt in eerste aanleg door een Raad van Toezicht en in hoger beroep door een Raad van Appel uitgeoefend.
2.3.2.4. De verordening bepaalt niet dat de Raad van Appel ook in hoogste ressort rechtspreekt. Een verklaring voor het ontbreken hiervan kan worden gevonden in het feit dat de Advocatenlandsverordening dateert van 15 januari 1960(6).
Onder de cassatieregeling, zoals die gold tot 1 maart 1965(7), stond in burgerlijke zaken alleen cassatie open van vonnissen in burgerlijke zaken die door het Hof van Justitie in eerste aanleg waren gewezen. Bij de inwerkingtreding van de huidige cassatieregeling is de Advocatenlandsverordening op dit punt niet aangepast.
2.3.2.5. Gelet hierop en gezien het feit dat de tuchtrechtspraak in de Advocatenlandsverordening blijkens art. 20 daarvan Pro dezelfde ratio heeft als de tuchtrechtspraak in de Nederlandse Advocatenwet, moet m.i. worden aangenomen dat het in art. 46 van Pro die wet neergelegde cassatieverbod van overeenkomstige toepassing is op beslissingen van de Antilliaanse Raad van Appel als bedoeld in de Advocatenlandsverordening 1959.
2.3.3. Indien verzoekster de verzoekschriften door een advocaat bij de Hoge Raad en bovendien tijdig had doen indienen, en daardoor ontvankelijk zou zijn geweest, zou de Hoge Raad zich onbevoegd hebben moeten verklaren tot kennisneming van die verzoekschriften.
3. CONCLUSIE
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar beide beroepen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
(1). HR 14 januari 1977, NJ 1977, 424. Meer recent HR 31 oktober 1997, rekestnr. 9058, n.g. In beginsel kan zowel bij verzoekschrift als bij dagvaarding cassatieberoep worden ingesteld, zie HR 6 oktober 1967, NJ 1968, 50.
(2). Uitgaande van de cassatietermijn van de hier niet toepasselijke hoofdregel van art. 4, 1e zin, van de Cassatieregeling (drie maanden), zijn de verzoekschriften eveneens (één dag) te laat bij de Hoge Raad binnengekomen.
(3). M.v.t., kamerst. [II 1959-1960], 5959 (R 194), nr. 3, p. 1 en 2. Daarnaast kan geen cassatieberoep worden ingesteld in de in art. 2 van Pro de cassatieregeling genoemde, hier niet relevante, gevallen.
(4). HR 4 februari 1994, NJ 1994, 352.
(5). Bij wet van 23 juni 1952, Stb. 365. Het oude art. 46 Advocatenwet Pro luidde, voorzover hier van belang: "De tuchtrechtspraak heeft ten doel het weren en beteugelen van inbreuken op verordeningen van de Nederlandse orde en op de eer van de stand der advocaten en van misslagen door hen begaan in de uitoefening van de practijk."
(6). Landsverordening van 25 november 1959 houdende regelen met betrekking tot personen, die het verlenen van rechtsbijstand als beroep uitoefenen, Pb. 1959, 177.
(7). Besluit van 23 februari 1909 tot regeling van de rechtsmacht van den Hoogen Raad der Nederlanden in de Koloniën Suriname en Curaçao, Stb. 59, gewijzigd bij Besluit van 24 oktober 1914, Stb. 505. De thans geldende Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen (Rijkswet van 20 juli 1961, Stb. 212) is in werking getreden op 1 maart 1965 (Pb 1965, 19).