ECLI:NL:PHR:2001:AB2565
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tuchtrechtelijke beslissing advocaat op Nederlandse Antillen
Verzoekster was ontslagen op staande voet wegens ongeoorloofde afwezigheid en vorderde loonbetaling in kort geding, welke vordering in eerste aanleg werd afgewezen maar in hoger beroep werd toegewezen. Vervolgens diende zij een klacht in tegen haar advocaat bij de Raad van Toezicht op de Advocatuur in de Nederlandse Antillen, die ongegrond werd verklaard en bevestigd in hoger beroep door de Raad van Appel.
Verzoekster stelde beroep in cassatie in tegen de beslissing van de Raad van Appel, maar deze cassatieberoepen werden niet-ontvankelijk verklaard. Dit omdat de cassatieverzoeken niet waren ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist volgens de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Daarnaast is cassatieberoep tegen tuchtrechtelijke uitspraken uitgesloten op grond van de Advocatenlandsverordening van 1959, die een cassatieverbod bevat overeenkomstig de Nederlandse Advocatenwet. Zelfs als verzoekster tijdig en door een advocaat was vertegenwoordigd, zou de Hoge Raad zich onbevoegd hebben moeten verklaren.
De Hoge Raad concludeert daarom tot niet-ontvankelijkheid van verzoekster in haar cassatieberoepen tegen de tuchtrechtelijke beslissing van de Raad van Appel op de Nederlandse Antillen.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoepen wegens ontbreken van advocaatondertekening en cassatieverbod in tuchtrecht.