ECLI:NL:PHR:2001:AB2775
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op immateriële schadevergoeding aan partner na doding kind
De zaak betreft een geschil tussen ex-partners waarbij de eiser tot cassatie het recht op immateriële schadevergoeding vordert wegens het doden van hun 7-jarige kind door de eiser zelf. De rechtbank en het hof hadden reeds geoordeeld dat de eiser aansprakelijk is jegens de verweerster voor immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 sub a BW Pro, omdat het doden van het kind met het oogmerk was om de verweerster leed toe te brengen.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en wijst het cassatieberoep van de eiser af. De Raad stelt dat het oogmerk om immateriële schade toe te brengen aan de partner bij het plegen van de daad voldoende is voor aansprakelijkheid, ook al is dit niet expliciet in de parlementaire geschiedenis genoemd. De Hoge Raad benadrukt dat artikel 6:108 BW Pro niet in de weg staat aan vergoeding van immateriële schade jegens de partner, omdat deze bepaling alleen de vergoeding van materiële schade regelt.
De Hoge Raad onderstreept dat het recht op immateriële schadevergoeding een dubbele functie heeft: het leed van de benadeelde te verzachten en het geschokte rechtsgevoel te bevredigen. Het oordeel van het hof dat de eiser met het oogmerk handelde om de verweerster leed toe te brengen, is niet onbegrijpelijk en wordt bevestigd. Daarmee blijft de veroordeling tot vergoeding van immateriële schade in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof bevestigt dat de partner recht heeft op immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6:106 lid 1 sub a BW.