ECLI:NL:PHR:2001:AB2792
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid ontslag na duidelijke en ondubbelzinnige instemming werknemer
De zaak betreft een werknemer, tevens echtgenote van de directeur van Kotrac Milieu B.V., die op 15 september 1994 tijdens een managementvergadering werd ontslagen. Hoewel zij na die datum nog werkzaamheden verrichtte en pas ruim een jaar later stelde nog in dienst te zijn, oordeelde de kantonrechter dat zij duidelijk en ondubbelzinnig met het ontslag had ingestemd. Dit oordeel werd bevestigd door het gerechtshof, dat het vonnis van de kantonrechter vernietigde en de vorderingen van de werknemer afwees.
De Hoge Raad bevestigde dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig was beëindigd, omdat uit de gedragingen van de werknemer tijdens en na de vergadering bleek dat zij het ontslag had aanvaard. De Hoge Raad benadrukte dat aan instemming met ontslag hoge eisen worden gesteld, maar dat instemming ook uit gedragingen kan blijken. De werknemer had na het ontslag haar werkzaamheden op urenbasis gedeclareerd en had niet eerder kenbaar gemaakt nog in dienst te zijn.
De Hoge Raad verwierp de klachten van de werknemer dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van instemming. De bijzondere omstandigheden van het familiebedrijf en de financiële situatie speelden een rol bij de beoordeling. Het oordeel dat sprake was van duidelijke en ondubbelzinnige instemming was niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig was beëindigd per 15 september 1994, zonder dat de werknemer aanspraak kon maken op loonbetaling over de periode daarna.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het ontslag per 15 september 1994 rechtsgeldig was vanwege duidelijke en ondubbelzinnige instemming van de werknemer.