ECLI:NL:PHR:2001:AB2794
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vordering tot rekening en verantwoording in faillissement met toepassing van art. 69 Faillissementswet
In deze zaak vorderen eisers tot cassatie, waaronder de failliet [A B.V.] en de Commissie van schuldeisers, dat ABN AMRO Bank rekening en verantwoording aflegt over bedragen geïnd uit hoofde van zekerheden die aan haar zijn verstrekt. De bank betwist de vordering en wijst op een dading uit 1987 die alle geschillen omtrent de zekerheden zou hebben geregeld. De President van de rechtbank verklaart de vordering niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van spoedeisend belang en wijst op de bijzondere procedure van art. 69 Faillissementswet Pro, die een snelle rechtsgang met korte termijnen biedt.
Het Gerechtshof Amsterdam bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de vordering betrekking heeft op rechten en verplichtingen van de failliete boedel, waarvoor art. 69 Fw Pro een exclusieve procedure biedt. Het hof oordeelt dat de eis van spoedeisendheid strikt moet worden opgevat en dat deze in casu niet is aangetoond. Tevens wijst het hof het beroep op schending van art. 6 EVRM Pro af, omdat onvoldoende feiten zijn gesteld die objectieve partijdigheid van de rechter-commissaris aannemelijk maken.
De Hoge Raad behandelt meerdere middelen gericht tegen deze oordelen, waaronder de vraag of de bank als separatist buiten het faillissement kan optreden en of de procedure van art. 69 Fw Pro voldoet aan art. 6 EVRM Pro. De Hoge Raad verwerpt alle middelen en bevestigt dat de bijzondere procedure van art. 69 Fw Pro exclusief is voor dergelijke vorderingen en dat de rechter-commissaris niet onpartijdig wordt geacht zonder zwaarwegende aanwijzingen. De vordering wordt daarmee niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: De vordering tot rekening en verantwoording wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van spoedeisend belang en de exclusiviteit van de procedure van art. 69 Faillissementswet.