ECLI:NL:PHR:2001:AB2803
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor het onder zich hebben van beschermde cultuurvogels en toetsing notificatieplicht Vogelbesluit 1994
Verdachte werd door het Hof Arnhem veroordeeld wegens het onder zich hebben van 14 beschermde cultuurvogels, waaronder vinken, goudvinken en een geelgors, in strijd met artikel 7 van Pro de Vogelwet 1936. Het Hof legde een geldboete op en verbeurde de vogels.
De verdediging stelde cassatie in met het middel dat het Vogelbesluit 1994, dat de regels omtrent het houden van cultuurvogels bevat, niet rechtsgeldig was omdat het niet was aangemeld bij de Europese Commissie conform de notificatierichtlijn 83/189/EEG, zoals vereist volgens het Securitel-arrest van het Hof van Justitie.
De Hoge Raad onderzocht of het Vogelbesluit 1994 technische voorschriften bevatte die aangemeld hadden moeten worden. Hij concludeerde dat de bepalingen over pootringen aan vogels wel technische voorschriften zijn, maar dat op grond van uitzonderingen in de notificatierichtlijn geen notificatie vereist was omdat het besluit een uitvoering is van een communautaire richtlijn (79/409/EEG).
De Hoge Raad verbeterde de kwalificatie van het bewezenverklaarde en verwierp het cassatieberoep voor het overige, waarmee de veroordeling in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigde de veroordeling wegens het onder zich hebben van beschermde cultuurvogels en verwierp het cassatieberoep.