ECLI:NL:PHR:2001:AB2877

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 augustus 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00455/01 U
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Rechters
  • Bosch
  • Eelsing
  • Helmonds
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 EVRMArt. 6:162 BWArt. 6 EVRMArt. 9 UitleveringsverdragArt. 11 Uitleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toelaatbaarheid uitlevering wegens samenzwering tot invoer van MDMA naar VS

De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Zwolle die de uitlevering aan de Verenigde Staten toelaatbaar heeft verklaard wegens verdenking van samenzwering tot invoer van MDMA. De verdediging stelde meerdere middelen van cassatie voor, waaronder klachten over onvoldoende motivering van de rechtbank, het niet horen van getuigen, het niet overleggen van originele stukken en vermeende discrepanties in het feitencomplex.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een flagrante schending van artikel 5 en Pro 6 EVRM die uitlevering ontoelaatbaar zou maken. Verzoeken tot het horen van getuigen en het opvragen van aanvullend bewijsmateriaal zijn afgewezen op voldoende gronden, mede omdat de rechtmatigheid van bewijsverwerving in het algemeen niet ter beoordeling van de uitleveringsrechter staat.

Verder constateert de Hoge Raad dat de rechtbank de uitlevering heeft opgevat als uitsluitend betrekking hebbende op de conspiracy tot invoer van MDMA, hetgeen niet onbegrijpelijk is gezien de stukken. De klachten over het ontbreken van originele documenten en discrepanties in het feitencomplex worden verworpen. Wel wordt ambtshalve opgemerkt dat de rechtbank bij de verbetering van het dictum art. 140 Sr Pro als toepasselijke wetsbepaling dient te vermelden. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering van verdachte aan de Verenigde Staten is toelaatbaar verklaard.

Conclusie

Nr. 00455/01 U
mr. N. Keijzer
zitting 24 juli 2001
conclusie inzake
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij uitspraak van 7 februari 2001 heeft de Arrondissementsrechtbank te Zwolle de door de Verenigde Staten van Amerika verzochte uitlevering van [verdachte] toelaatbaar verklaard, ter zake van het feit waarvan hij, blijkens het op 18 juli 2000 gegeven arrestatiebevel, wordt verdacht.
2. Tegen deze uitspraak heeft [verdachte] cassatieberoep ingesteld. Namens hem heeft mr L.N. Weski, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur en bij aanvullende schriftuur in totaal zes middelen van cassatie voorgesteld, genummerd I, II, III, IV, VI en VII. De middelen houden merendeels variaties in op steeds terugkerende thema's. Dat is de reden waarom ik in het navolgende soms in herhaling zal vervallen.
3. De zaak houdt verband met zaak 00459/01 U, waarin ik heden eveneens conclusie neem.
De aanvullende schriftuur houdt onder meer het verzoek aan Uw Raad in, de in zaak 00459/01 U voorgestelde middelen ambtshalve te betrekken in de voorliggende zaak. Uw Raad kan aan dat verzoek voorbijgaan; ingevolge art. 31, vierde lid, Uitleveringswet dienen klachten immers te worden vervat in de met betrekking tot de voorliggende zaak ingediende schriftuur.(1)
4. Het eerste middel houdt de klacht in dat de Rechtbank niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist op ter zitting van de Rechtbank van 13 september 2000 gedane verzoeken tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering althans het doen overleggen door de Verenigde Staten van aanvullende gegevens en van originele stukken.
5. De bestreden uitspraak is gewezen door mr Bosch, voorzitter, en mr Eelsing en mr Helmonds, rechters.
6. Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank (in evengenoemde samenstelling) van 7 december 2000 houdt onder meer in dat de op 13 september geschorste behandeling opnieuw is aangevangen omdat de Rechtbank op 7 december 2000 anders was samengesteld.
7. Het onmiddellijkheidsbeginsel brengt mee dat de Rechtbank in nieuwe samenstelling niet mocht ingaan op ter zitting van de Rechtbank van 13 september 2000 gedane verzoeken.(2)
8. Het middel, dat hieraan voorbijgaat, faalt derhalve.
9. Het tweede middel houdt de klacht in dat de Rechtbank niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist op ter zitting van de Rechtbank van 7 december 2000 gedane verzoeken tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering althans het doen overleggen door de Verenigde Staten van aanvullende gegevens en van originele stukken.
10. De pleitaantekeningen, gevoegd bij het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 13 september 2000, houden als stelling van de raadsvrouw onder meer in:
"Ik meen dat de reële kans aanwezig is dat cliënt bij uitlevering naar de VS onderhevig zal zijn aan een strafproces dat in strijd is met art. 5 en Pro 6, lid 1 EVRM."
Ter toelichting heeft de raadsvrouw daarbij aangevoerd dat uit de stukken blijkt dat is afgeluisterd, dat sprake is van kroongetuigenregelingen, dat mogelijk doorleveringen zijn toegepast, en dat blijkens persberichten is gesproken over het inzetten van een undercover-agent. Voorts houden deze aantekeningen het verzoek van de raadsvrouw in, de daartoe reeds aan de Officier van Justitie opgegeven {getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen.
11. Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 13 september 2000 houdt onder meer in:
"De voorzitter schorst, gelet op het door [verdachte] en diens raadsvrouw daartoe gedaan verzoek, (...) het onderzoek ter terechtzitting (...) teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen (met betrekking tot de toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal) te doen oproepen als getuigen:
[getuige 1], verbonden aan de douane van de Verenigde Staten
[getuige 2], Assistant United States Attorney (...),
beveelt deze getuigen alle stukken mee te nemen waarin de namen van verdachte in voorkomen zodat de getuigen opening van alle zaken kunnen geven (...)."
12. Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 7 december 2000 houdt onder meer in dat de behandeling opnieuw is aangevangen, en:
"De voorzitter deelt (...) als beslissing van de rechtbank mee, dat de rechtbank verder zal gaan met de behandeling op basis van de beslissingen die op 13 september zijn genomen."
en
"De voorzitter deelt (...) als beslissing van de rechtbank mee dat de afwezigheid van getuigen en nadere documenten een voldongen feit is."
Als verklaring van de raadsvrouw houdt dat proces-verbaal onder meer in:
"De verdediging ziet niet af van het horen van de getuigen en de beschikbaarstelling van de gevraagde documenten. Indien aan de oorspronkelijke opdracht van de rechtbank door het openbaar ministerie niet wordt voldaan, dient de gevraagde uitlevering te worden geweigerd."
13. De bestreden uitspraak houdt onder meer in:
"Op de zitting van 13 september 2000 heeft de rechtbank oproeping als getuigen bevolen van [getuige 1] en [getuige 2]. De Officier van Justitie heeft op de zitting van 7 december 2000 een Verklaring d.d. 4 december 2000 van [getuige 3], als Hoofd-Procesadvocaat werkzaam bij het Ministerie van Justitie van de Verenigde Staten, overgelegd.
(...)
Mede gelet op de Verklaring van 4 december 2000 van [getuige 3] (...) is de rechtbank van oordeel dat door de raadsvrouw onvoldoende feiten zijn gesteld om te kunnen veronderstellen dat er sprake is van een zodanige flagrante (dreigende) schending van artikel 5 en Pro/of artikel 6 van Pro het EVRM, dat de uitlevering ontoelaatbaar verklaard moet worden.
Gelet op de inhoud van voornoemde Verklaring van [getuige 3] ziet de rechtbank thans geen aanleiding meer tot het horen van getuigen dan wel het opvragen van aanvullend bewijsmateriaal."
14. De zich bij de stukken bevindende Verklaring van [getuige 3] houdt onder meer in:
"I must first state that a request for testimony of an Assistant United States Attorney and a law enforcement officer at an extradition hearing falls outside the scope of the Treaty (...).
(...)
"Based on all the facts and the circumstances, I can attest that the investigation leading to the request for the extradition of defendants [verdachte] and [...] was legally conducted, in a manner in all respects consistent with the laws of the United States. (...)"
15. De door de Rechtbank gebezigde woorden "aanvullend bewijsmateriaal" zijn kennelijk bedoeld als alle stukken omvattende waarvan de raadsvrouw de nadere overlegging heeft verzocht. In het door de Rechtbank gegeven oordeel dat zij geen aanleiding meer ziet tot het horen van getuigen dan wel het opvragen van aanvullend bewijsmateriaal ligt de afwijzing besloten van de verzoeken van de raadsvrouw tot het opnieuw oproepen van getuigen en tot het opvragen van nadere stukken. Voorzover het middel de klacht inhoudt dat de Rechtbank op die verzoeken niet heeft beslist mist het derhalve feitelijke grondslag.
16. De rechtmatigheid van de bewijsverkrijging door de verzoekende staat is in het algemeen niet ter beoordeling van de uitleveringsrechter.(3)
Dat zou anders kunnen zijn indien sprake was van een reeds plaatsgevonden flagrante schending van rechten als neergelegd in EVRM en IVBPR. Het oordeel van de Rechtbank dat geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die daarop wijzen is echter niet onbegrijpelijk en geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting.
De afwijzing van de verzoeken is dus toereikend gemotiveerd.
17. Het middel faalt derhalve.
18. Het derde middel klaagt over de afwijzing door de Rechtbank van de ter zitting van 24 januari 2001 gedane verzoeken van de raadsvrouw om de opgegeven getuigen te horen en om overlegging van nadere documenten te bevelen.
19. Blijkens de pleitaantekeningen die zijn gehecht aan het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 24 januari 2001 heeft de raadsvrouw aldaar wederom verzocht om oproeping van getuigen en nadere overlegging van stukken,(4) en wel om de volgende redenen:
1ºdat de reële kans aanwezig is dat [verdachte] bij uitlevering naar de Verenigde Staten onderhevig zal zijn aan een strafproces dat in flagrante strijd zal zijn met art. 5 en Pro art. 6 EVRM Pro;
2ºdat overlegging van een eerder rechtshulpverzoek van de Verenigde Staten aan Nederland gewenst is om duidelijkheid te krijgen omtrent de mate waarin eerder al of niet op Nederlands grondgebied opsporingsonderzoek is gedaan;
3ºdat niet vaststaat of het verzoek tot aanhouding dan wel de daadwerkelijke aanhouding van [verdachte] heeft plaatsgevonden na de datum van de complaint en de warrant;
4ºdat het uitleveringsverzoek geen handtekening draagt; dat geen laboratoriumrapporten e.d. zijn overgelegd; dat met het oog op het oordeel omtrent de strafbaarheid onvoldoende duidelijk is omschreven om welke verdovende middelen het in deze zaak gaat.
20. Zoals bij de bespreking van het tweede middel reeds gemeld houdt de bestreden uitspraak onder meer in:
"Mede gelet op de Verklaring van 4 december 2000 van [getuige 3] (...) is de rechtbank van oordeel dat door de raadsvrouw onvoldoende feiten zijn gesteld om te kunnen veronderstellen dat er sprake is van een zodanige flagrante (dreigende) schending van artikel 5 en Pro/of artikel 6 van Pro het EVRM, dat de uitlevering ontoelaatbaar verklaard moet worden.
Gelet op de inhoud van voornoemde Verklaring van [getuige 3] ziet de rechtbank thans geen aanleiding meer tot het horen van getuigen dan wel het opvragen van aanvullend bewijsmateriaal."
21. Aldus heeft de Rechtbank de verzoeken op toereikende grond afgewezen.
22. Het middel miskent
ad 1º:dat het oordeel van de Rechtbank dat geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die wijzen op flagrante schending van art. 5 en Pro/of art. 6 EVRM Pro geen blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is;
ad 2º: dat niet blijkt dat de verdediging aan de Rechtbank om overlegging van het rechtshulpverzoek heeft verzocht;(5)
ad 3º: dat - behoudens flagrante schending van art. 5 EVRM Pro - de mogelijkheid dat voorlopige aanhouding eventueel zou hebben plaatsgehad vóórdat een bevel tot aanhouding was uitgevaardigd geen grond oplevert tot weigering van de verzochte uitlevering;(6)
ad 4º: dat de klacht dat het uitleveringsverzoek geen handtekening draagt geen steun vindt in het recht (art. 9, zesde lid aanhef en onder a, van het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten(7) heeft geen betrekking op het uitleveringsverzoek); opmerking verdient overigens dat het uitleveringsverzoek is voorzien van een geparafeerd stempel van de Ambassade van de Verenigde Staten te Den Haag;
dat genoemd Verdrag, in het bijzonder art. 9, derde lid aanhef en onder b, daarvan, overlegging van laboratoriumrapporten e.d. niet eist;
dat de Rechtbank in de bestreden uitspraak heeft vastgesteld dat [verdachte] ervan wordt verdacht zich in 1999 en 2000 schuldig te hebben gemaakt aan samenzwering om XTC (MDMA) in te voeren in de Verenigde Staten van Amerika, welke vaststelling niet onbegrijpelijk is, gelet op het uitleveringsverzoek hetwelk onder meer inhoudt dat [verdachte] is beschuldigd van "conspiracy to import MDMA into the United States and money laundering". MDMA komt voor op de bij art. 7 Verdrag Pro inzake psychotrope stoffen(8) behorende Lijst I en op de bij de Opiumwet gevoegde Lijst I, zodat over de vraag of de ongeoorloofde invoer ervan strafbaar is geen twijfel kan bestaan. Dat in de uiteenzetting der feiten wordt gesproken van MDMA, also known as "Ecstasy" doet hieraan niet af.
23. Het middel faalt derhalve.
24. Het vierde middel keert zich tegen de reactie door de Rechtbank op een aantal gevoerde verweren en verzoeken. De toelichting op het middel herbergt de volgende klachten.
A. De in de bestreden uitspraak vervatte beslissing
"Gelet op de inhoud van voornoemde Verklaring van [getuige 3] ziet de rechtbank thans geen aanleiding meer tot het horen van getuigen dan wel het opvragen van aanvullend bewijsmateriaal."
wordt onbegrijpelijk geacht in het licht van het ter zitting van de Rechtbank van 13 september 2000 gegeven oordeel dat met betrekking tot de toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal nader onderzoek nodig was.
B. De Rechtbank zou hebben verzuimd te beslissen op de volgende verweren:(9)
1ºdat de reële kans aanwezig is dat [verdachte] bij uitlevering naar de Verenigde Staten onderhevig zal zijn aan een strafproces dat in flagrante strijd zal zijn met art. 5 en Pro art. 6 EVRM Pro;
2ºdat overlegging van een eerder rechtshulpverzoek van de Verenigde Staten aan Nederland gewenst is om duidelijkheid te krijgen omtrent de mate waarin eerder al dan niet op Nederlands grondgebied opsporingsonderzoek is gedaan;
3ºdat niet vaststaat of het verzoek tot aanhouding dan wel de daadwerkelijke aanhouding van [verdachte] heeft plaatsgevonden na de datum van de complaint en de warrant;
4ºdat het uitleveringsverzoek geen handtekening draagt; dat geen laboratoriumrapporten e.d. zijn overgelegd; dat met het oog op het oordeel omtrent de strafbaarheid onvoldoende duidelijk is omschreven om welke verdovende middelen het in deze zaak gaat;
5ºdat, gelet op de in de Verenigde Staten geldende strafmaxima, [verdachte] bij uitlevering in een aanzienlijk slechtere rechtspositie zal komen te verkeren dan bij berechting voor dezelfde feiten in Nederland.
C. De Rechtbank zou hebben verzuimd te beslissen op
(i)het verzoek tot het alsnog overleggen van de door de Rechtbank op 13 september 2000 bedoelde documenten;
(ii) het verzoek tot het doen overleggen van briefwisseling omtrent oproeping van getuigen;
(iii)het verzoek tot het doen overleggen van het rechtshulpverzoek waarvan sprake is in het uitleveringsverzoek.
25. Klacht A komt mij ongegrond voor. Dat de Rechtbank na kennisname van de Verklaring van [getuige 3] geen aanleiding meer heeft gezien tot het horen van getuigen dan wel het opvragen van aanvullend bewijsmateriaal geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, zeker niet indien in aanmerking wordt genomen dat de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging door de verzoekende staat in het algemeen niet ter beoordeling staat van de uitleveringsrechter.
26. Naar aanleiding van klacht B zij het volgende opgemerkt.
27. Op verweer 1º heeft de Rechtbank uitdrukkelijk beslist met de overweging dat door de raadsvrouw onvoldoende feiten zijn gesteld om te kunnen veronderstellen dat er sprake is van een zodanige flagrante (dreigende) schending van artikel 5 en Pro/of artikel 6 van Pro het EVRM, dat de uitlevering ontoelaatbaar verklaard moet worden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting.
28. Op het onder 2º bedoelde verzoek is de Rechtbank niet afzonderlijk ingegaan; de redelijkheid noopt echter de bestreden uitspraak aldus op te vatten dat de afwijzing van ook dat verzoek is vervat in het oordeel van de Rechtbank dat zij, gelet op de Verklaring van [getuige 3], geen aanleiding meer ziet tot het opvragen van aanvullend bewijsmateriaal.
29. Op verweer 3º is de Rechtbank niet ingegaan. Dat behoeft niet tot cassatie te leiden omdat de Rechtbank het verweer slechts had kunnen verwerpen, gelet op art. 11 van Pro het Verdrag en art. 13 Uitleveringswet Pro, die voorzien in voorlopige aanhouding, terwijl - behoudens in geval van flagrante schending van art. 5 EVRM Pro - de omstandigheid dat deze zou plaatsvinden vóórdat een bevel tot aanhouding is uitgevaardigd geen weigeringsgrond met betrekking tot de uitlevering oplevert.
30. Ook op de onder 4º gemelde verweren is de Rechtbank niet ingegaan. Dat behoeft echter evenmin tot cassatie te leiden, omdat de Rechtbank ook die verweren slechts kon verwerpen, gelet op hetgeen hiervoren is opgemerkt ten aanzien van het derde middel.
31. Aan de onder 5º genoemde stelling is de Rechtbank eveneens voorbijgegaan. Kennelijk heeft de Rechtbank deze stelling niet opgevat als een tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering strekkend verweer. Aangezien van de zijde van de verdediging niet is betoogd dat en waarom het aangevoerde tot ontoelaatbaarheid van de verzochte uitlevering zou moeten leiden, is dat oordeel niet onbegrijpelijk, en was de Rechtbank tot het geven van een gemotiveerde beslissing dienaangaande niet gehouden.
32. Met betrekking tot Klacht C:
33. ad (i): Dit onderdeel mist feitelijke grondslag; de Rechtbank heeft het bedoelde verzoek afgewezen. Ik verwijs naar mijn bespreking van het tweede middel.
34. ad (ii): Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 7 december 2000 (pleitaantekeningen,(10) blz. 1) en blijkens het proces-verbaal van de zitting van 24 januari 2001 (pleitaantekeningen, blz. 11) heeft de raadsvrouw aldaar telkens toevoeging aan het dossier verzocht van de brief van de Minister van Justitie van 24 oktober 2000, waarbij de verzoeken van de Rechtbank om nadere informatie, gedaan ter zitting van 13 september 2000, onder de aandacht van het Amerikaanse departement van justitie zouden zijn gebracht. De Rechtbank is op dit verzoek niet afzonderlijk ingegaan. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft zij de afwijzing ervan begrepen geacht in haar overweging dat zij geen aanleiding meer ziet tot het horen van getuigen dan wel het opvragen van aanvullend bewijsmateriaal. Aldus bezien mist ook dit onderdeel van de klacht feitelijke grondslag.
35. ad (iii):
36. Het uitleveringsverzoek houdt onder meer in:
"The Eastern District of New York previously submitted a Mutual Legal Assistance request, captioned Farino, regarding this organization that provides more detailed information on [verdachte]."
37. Het proces-verbaal van de zitting van 24 januari 2001 (pleitaantekeningen, blz. 8) houdt als verklaring van de raadsvrouw onder meer in:
"Voorts blijkt uit het aanhoudingsbevel dat sprake is van een daar genoemd eerder rechtshulpverzoek dat naar Nederland zou zijn uitgegaan en waarbij "gedetailleerde informatie over [verdachte]" werd gegeven.
Ik heb de officier van justitie om dit rechtshulpverzoek verzocht, met name om duidelijkheid te krijgen omtrent de mate waarin eerder al of niet op Nederlands grondgebied opsporingsonderzoek is gedaan. Dit bewuste onderzoek is tot op heden niet opgehelderd en had zeker bij gebreke van een adequaat antwoord van de Verenigde Staten alsnog in het geding moeten worden gebracht door de officier van justitie."
38. Op blz. 14 houden die pleitaantekeningen dienaangaande nog de mededeling in dat de raadsvrouw de officier van justitie wederom heeft verzocht om het uitleveringsverzoek(11) waar document 51(12) over spreekt en waarin gedetailleerd omtrent [verdachte] gesproken zou zijn.
39. De Rechtbank is hierop niet in het bijzonder ingegaan, zij het dat de bestreden uitspraak als haar impliciete oordeel inhoudt dat, in de vorm van de Verklaring van [getuige 3], van de Verenigde Staten wel een adequaat antwoord is ontvangen op de door de Rechtbank in andere samenstelling op 13 september gedane verzoek om nadere informatie. Kennelijk heeft de Rechtbank het aangevoerde niet opgevat als een verzoek waarop zij een gemotiveerde beslissing diende te geven. Aangezien de raadsvrouw haar wens niet in de vorm van een verzoek aan de Rechtbank heeft uitgedrukt komt dat oordeel mij niet onbegrijpelijk voor.
40. Het middel is derhalve vruchteloos voorgesteld.
41. Het vijfde middel (dit middel draagt nummer VI) houdt de klachten in
a) dat de feiten, zoals vermeld in de zich bij de stukken bevindende warrant for arrest van 18 juli 2000, en ter zake waarvan de Rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard, een volledig ander feitencomplex inhouden dan de in de affidavit(13) en de daarbij gevoegde indictment vermelde feiten;
b) dat de bedoelde warrant for arrest geen vermelding van tijd en plaats van de desbetreffende feiten inhoudt;
c) dat slechts in verband met ecstasy bewijsmateriaal als bedoeld in art. 9 van Pro het Verdrag is overgelegd, en niet met betrekking tot de overige feiten waarvan in de warrant for arrest sprake is;
d) dat de Rechtbank niet heeft gereageerd op het verzoek van de raadsvrouw om overlegging van het origineel van de warrant for arrest;
e) dat de Rechtbank niet heeft doen blijken de dubbele strafbaarstelling ten aanzien van alle in de warrant for arrest vermelde feiten te hebben onderzocht.
42. ad a)
Volgens de zich bij de stukken bevindende gewaarmerkte kopie van de warrant for arrest van 18 juli 2000 wordt [verdachte] verdacht van de in Bijlage A daarbij kort uiteengezette feiten. Deze uiteenzetting komt erop neer dat [verdachte] wordt verdacht van conspiracy tot, kort gezegd, (a) possession with intent to distribute van MDMA, marihuana en cocaïne, (b) invoer van MDMA, (c) uitvoer van geld ter ondersteuning van handel in narcotica, en (d) vervoer van vuurwapens.
In het zich bij de stukken bevindende Affidavit in support of request for extradition, van [getuige 2], Assistant U.S. Attorney, van 14 augustus 2000, in § 8, worden diezelfde feiten genoemd behoudens dat niet wordt gesproken van uitvoer van geld maar van money laundering.
De zich eveneens bij de stukken bevindende Affidavit in Suppport of Arrest Warrants van [getuige 1], special agent of the U.S. Customs Service, betreft blijkens de opsomming op blz. 3-5 diezelfde feiten.
De zich bij de stukken bevindende superseding indictment, van 3 augustus 2000, handelt over invoer van MDMA.
Ik geef derhalve toe dat tussen deze stukken discrepanties bestaan.(14) Dat het daarbij gaat om een volledig ander feitencomplex blijkt echter niet.
Klacht a) mist dus feitelijke grondslag.
43. ad b)
1. De constatering dat de bedoelde warrant for arrest geen vermelding van tijd en plaats inhoudt is juist. De aan de Affidavit in support of request for extradition, van [getuige 2], Assistant U.S. Attorney, van 14 augustus 2000, gehechte superseding indictment van 3 augustus 2000, welke uitsluitend betrekking heeft op MDMA, vermeldt echter wel steeds tijd en plaats. Gelet op hetgeen hierna ad e) zal wordeen betoogd omtrent de feiten met betrekking waartoe de Rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard is dat voldoende.
De Affidavit in Suppport of Arrest Warrants (...) van [getuige 1] vermeldt, op blz. 3, tijd en plaats ook van de overige in de warrant for arrest bedoelde feiten:
"in or about and between 1993 and the present, both dates being approximate and inclusive, within the Eastern District of New York and elsewhere".
In aanmerking genomen dat het om een vervolgingsuitlevering ter zake van internationale drugshandel kan worden geoordeeld dat hiermee is voldaan aan het gestelde in art. 9, tweede lid, aanhef en sub b, van het Verdrag.
Klacht b) kan derhalve evenmin tot cassatie leiden.
44. Ad c)
De Affidavit in Suppport of Arrest Warrants van [getuige 1], special agent of the U.S. Customs Service, bevat het bedoelde bewijsmateriaal.
Klacht c) mist derhalve feitelijke grondslag.
45. ad d)
Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 24 januari 2001 (pleitaantekeningen, blz. 8) houdt als betoog van de raadsvrouw onder meer in, met betrekking tot de warrant for arrest, dat onzeker is of die van 17 of van 18 juli 2000 dateert. Vervolgens:
"Ik meen derhalve dat hieromtrent niet kan worden volstaan met een kopie (...) maar slechts het origineel kan voldoen."
Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft de Rechtbank dit niet opgevat als een verzoek tot overlegging van het origineel van de warrant for arrest, waarop zij diende te beslissen, maar als een verweer strekkende tot het oordeel dat de stukken ongenoegzaam zijn. Dat verweer heeft de Rechtbank, gelet op art. 9, derde lid aanhef en onder a, van het Verdrag, toereikend gemotiveerd verworpen door in de bestreden uitspraak vast te stellen dat zich bij de stukken bevindt een gewaarmerkt afschrift van het bedoelde(15) arrestatiebevel.
Klacht d), die van een andere opvatting uitgaat, mist derhalve doel.
46. ad e)
47. Klacht e) berust op de constatering dat de Rechtbank niet heeft doen blijken ten aanzien van alle in de warrant for arrest (bedoeld is kennelijk: in Attachment A daarbij) vermelde feiten de dubbele strafbaarstelling te hebben onderzocht. Die constatering is juist. De Rechtbank heeft zich slechts uitgelaten omtrent de dubbele strafbaarstelling van conspiracy tot invoer van MDMA.
48. Volgens de aan de warrant for arrest van 18 juli 2000 gehechte uiteenzetting der feiten (Attachment A) wordt [verdachte] verdacht van conspiracy tot, kort gezegd, (a) possession, with intent to distribute, van MDMA, marihuana en cocaïne, (b) invoer van MDMA, (c) het vervoer van geld ter ondersteuning van handel in narcotica, en (d) vervoer van vuurwapens.
Aan de klacht ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat de Rechtbank de gevraagde uitlevering toelaatbaar heeft verklaard met betrekking tot alle in die uiteenzetting bedoelde feiten. Die opvatting vindt steun in de bewoording van het dictum van de bestreden uitspraak. Zou die opvatting juist zijn, dan zou de klacht terecht zijn voorgesteld. Dat zou leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre. Daarna zou Uw Raad moeten doen wat de Rechtbank had behoren te doen, waartoe allereerst de ontbrekende wetsteksten zouden moeten worden opgevraagd.
49. Ik meen echter dat de Rechtbank de verzochte uitlevering heeft opgevat als uitsluitend betrekking hebbende op de conspiracy tot het invoeren van MDMA. De bestreden uitspraak houdt immers in:
"[verdachte] wordt ervan verdacht zich in 1999 en 2000 schuldig te hebben gemaakt aan samenzwering om XTC (MDMA) in te voeren in de Verenigde Staten van Amerika."
Deze opvatting van het feit met betrekking waartoe de uitlevering wordt verzocht - van de uiteenlopende feitsomschrijvingen die in de stukken zijn vervat heeft de Rechtbank de grootste gemene deler genomen - is niet onbegrijpelijk, gelet op het navolgende. In de eerste plaats is in het uitleveringsverzoek geen sprake van marihuana of cocaïne (a), noch van het uitvoer van geld ter ondersteuning van handel in narcotica (c), noch van het vervoer van vuurwapens (d). Wel is daar sprake van conspiracy to import MDMA en van money laundering. De zich bij de stukken bevindende superseding indictment, van 3 augustus 2000, handelt uitsluitend over invoer van MDMA en conspiracy daartoe.
In de tweede plaats zijn door de verzoekende staat geen teksten van wetsbepalingen overgelegd waarbij de onder (c) en (d) bedoelde feiten strafbaar zijn gesteld.
50. Bij deze opvatting van het uitleveringsverzoek berust het dictum "toelaatbaar terzake van het feit waarvan hij, blijkens het hierboven genoemde arrestatiebevel, wordt verdacht" op een vergissing, en is bedoeld: toelaatbaar terzake van de conspiracy om MDMA in te voeren in de Verenigde Staten, waarvan hij, blijkens het hierboven genoemde arrestatiebevel, wordt verdacht.
51. Indien van laatstbedoelde opvatting wordt uitgegaan, en daarvoor pleit het voorgaande, is ook klacht e) tevergeefs voorgesteld, en faalt het middel.
52. Het zesde middel (dit middel is vervat in de aanvullende schriftuur en draagt nummer VII) houdt de klacht in dat de Rechtbank niet althans op ontoereikende grond heeft beslist op het verzoek tot het horen van getuigen.
53. Zoals bij de bespreking van het tweede en van het vierde middel reeds vermeld heeft de Rechtbank het bedoelde verzoek afgewezen met de volgende motivering:
"Gelet op de inhoud van voornoemde Verklaring van [getuige 3] ziet de rechtbank thans geen aanleiding meer tot het horen van getuigen".
54. Dat de Rechtbank na kennisname van de Verklaring van [getuige 3] geen aanleiding meer heeft gezien tot het horen van getuigen geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, zeker niet indien in aanmerking wordt genomen dat de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging door de verzoekende staat in het algemeen niet ter beoordeling staat van de uitleveringsrechter.
55. Het middel doet blijkens de toelichting een beroep op art. 288, eerste lid, Sv, doch tevergeefs, aangezien die bepaling bij (art. 29 van Pro) de Uitleveringswet niet van overeenkomstige toepassing is verklaard.
56. Het middel faalt derhalve.
57. Ambtshalve merk ik op dat de Rechtbank heeft verzuimd, onder de toepasselijke wetsbepalingen te vermelden art. 140 Sr Pro. De conspiracy waarvan in casu sprake is, zoals die nader is omschreven in het uitleveringsverzoek en in de Affidavit in Suppport of Arrest Warrants van [getuige 1], levert naar Nederlands recht immers op deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Uw Raad kan, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, dit verzuim herstellen.
58. Ambtshalve heb ik geen andere dan de evengenoemde reden aangetroffen waarom de bestreden uitspraak niet in stand zou mogen blijven. De middelen ongegrond achtende concludeer ik daarom dat Uw Raad het dictum van de bestreden uitspraak zal verbeteren in dier voege dat de uitlevering is gevraagd en toelaatbaar is terzake van de conspiracy om MDMA in te voeren in de Verenigde Staten, en dat Uw Raad, met vernietiging voor wat betreft het evengenoemde verzuim, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, op de voet van art. 28, derde lid, Uitleveringswet alsnog art. 140 Sr Pro zal vermelden als toepasselijke wetsbepaling, en het beroep voor het overige zal verwerpen.
Voor de Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Waarnemend Advocaat-Generaal
1 Zie hierover Vademecum Strafzaken, § 36.8, blz. [36]-39 (suppl. 116).
2 HR 21 januari 1975, NJ 1975, 2000.
3 HR 14 mei 1985, NJ 1986, 11; HR 27 mei 1986, NJ 1987, 64; HR 15 mei 1995, DD 95.344.
4 Blz. 16 van de pleitaantekeningen.
5 Zie hieromtrent nader mijn bespreking van klacht C (iii) van het vierde middel.
6 Opgemerkt zij nog dat, gelet op art. 31, eerste lid, Uitleveringswet, beslissingen omtrent uitleveringsdetentie niet ter beoordeling staan in cassatie. Vgl. HR 15 oktober 1985, NJ 1986, 315 (r.o. 5.2).
7 Trb. 1980, 111. Hierna aangeduid als: het Verdrag.
8 Trb. 1989, 129.
9 Vgl. de pleitaantekeningen, gehecht aan het p-v van de zitting van 24 januari 2001, blz. 2-8 en 14-15.
10 Ik ga af op de kopie die de raadsvrouw desgevraagd zo vriendelijk is geweest mij toe te sturen; bij de door de Rechtbank toegezonden stukken had ik de pleitaantekeningen, waarvan sprake is in het proces-verbaal, niet aangetroffen.
11 Kennelijk is bedoeld: het rechtshulpverzoek.
12 Kennelijk is bedoeld: het uitleveringsverzoek.
13 Kennelijk is bedoeld: de affidavits.
14 Zie daaromtrent nader ad e).
15 Kennelijk per abuis noemt de Rechtbank in dit verband niet de naam [verdachte] maar de naam van een medeverdachte.