ECLI:NL:PHR:2001:AB2963
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor niet-opzettelijk vervoeren van cocaïne ondanks afwijkende tenlastelegging
Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf wegens het vervoeren van een hoeveelheid cocaïne. Tegen deze uitspraak stelde verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Het middel klaagde dat het hof de tenlastelegging had verlaten door te oordelen dat verdachte niet opzettelijk, maar wel strafbaar het middel had vervoerd, terwijl de officier van justitie alleen opzettelijk handelen had ten laste gelegd.
De Hoge Raad oordeelde dat in de Opiumwet het opzettelijk handelen als misdrijf en het niet-opzettelijk handelen als overtreding strafbaar zijn gesteld. Het hof mocht de tenlastelegging zo uitleggen dat het niet-opzettelijk vervoeren subsidiair werd verweten. De verdediging had rekening kunnen houden met deze mogelijkheid, zodat geen sprake was van benadeling van de verdediging.
Verder werd betoogd dat de bewezenverklaring in strijd was met artikel 6 EVRM Pro, gelet op een vergelijkbare uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De Hoge Raad verwierp dit betoog omdat in deze zaak de verdediging voldoende gelegenheid had gehad zich op de niet-opzettelijke variant voor te bereiden.
Ten slotte constateerde de Hoge Raad een kennelijke misslag in de strafoplegging, aangezien de maximumstraf voor de overtreding zes maanden is en het hof deze straf oplegde. De Hoge Raad herstelde deze fout ambtshalve door de uitspraak verbeterd te lezen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Verdachte werd veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf voor het niet-opzettelijk vervoeren van cocaïne.