ECLI:NL:PHR:2001:AB3102
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van cassatieberoep tegen aanwijzing onder toezichtstelling minderjarige kinderen
De zaak betreft een verzoek van de vader en zijn echtgenote om een gegeven aanwijzing door Jeugdbescherming Zeeland, die de ondertoezichtstelling van hun minderjarige kinderen betreft, geheel of gedeeltelijk te laten vervallen. Dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen omdat de aanwijzing passend werd geacht in het belang van de ontwikkeling van de kinderen.
De vader stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze beschikking. De kern van het geschil in cassatie was de ontvankelijkheid van dit beroep, waarbij Jeugdbescherming Zeeland primair stelde dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat er nog een gewoon rechtsmiddel openstond.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 807 onder Pro a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verbinding met artikel 1:263a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek hoger beroep openstond tot 16 januari 2001. Het cassatieberoep was echter tijdig ingesteld op 16 januari 2001, ondanks een administratieve vergissing met het datumstempel. Daarom was de vader ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat de vader niet-ontvankelijk moest worden verklaard in zijn cassatieberoep, omdat het beroep tegen een beschikking waartegen nog een gewoon rechtsmiddel openstaat in principe niet mogelijk is. De zaak bevatte ook een bespreking van de procedurele aspecten en de toepasselijkheid van wettelijke bepalingen omtrent hoger beroep en cassatie.
Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep tegen de afwijzing van het verzoek tot vervallen verklaring van de aanwijzing onder toezichtstelling.