ECLI:NL:PHR:2001:AB3110
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de fictiebepaling in art. 15 lid 1 Successiewet inzake recht van overgang en EG-recht
De zaak betreft een geschil over de toepassing van art. 15 lid 1 Successiewet Pro 1956, waarin een fictiebepaling is opgenomen die overdrachten van onroerende zaken kort voor overlijden als verkrijgingen krachtens erfrecht aanmerkt. De belanghebbenden, verwanten van de overledene Y die in België woonde, werden aangeslagen voor recht van overgang op grond van deze fictie.
De Hoge Raad onderzoekt of deze fictiebepaling in strijd is met het EG-recht, met name de vrijheid van kapitaalverkeer, en met mensenrechtenbepalingen zoals art. 14 EVRM Pro en art. 26 IVBPR Pro. De conclusie is dat de fictiebepaling verder gaat dan noodzakelijk is om belastingontwijking tegen te gaan en daardoor een verboden belemmering vormt.
Daarnaast wordt geoordeeld dat de fictie leidt tot ongelijke behandeling van kopers die niet tot de kring van erfrechtelijke verkrijgers behoren, wat in strijd is met het discriminatieverbod. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek of de belanghebbenden tot de kring van erfrechtelijke verkrijgers behoren.
Indien zij daartoe niet behoren, dienen de aanslagen te worden vernietigd; indien wel, kunnen de aanslagen gehandhaafd blijven. De conclusie benadrukt ook dat de vrijheid van kapitaalverkeer en het gelijkheidsbeginsel een beperking van de fictiebepaling vereisen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar de erfrechtelijke status van de belanghebbenden.