ECLI:NL:PHR:2001:AB3198

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 september 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00256/01 U
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 lid 1 Uitleveringswet 1967
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Behandeling uitleveringsverzoek in openbaar ondanks verzoek tot gesloten deuren

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Roermond die de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toelaatbaar verklaarde. De opgeëiste persoon had verzocht om de behandeling van het uitleveringsverzoek achter gesloten deuren te laten plaatsvinden vanwege gevoelens van schaamte.

De rechtbank wees dit verzoek af en behandelde de zaak in het openbaar. De Hoge Raad stelt dat artikel 25 lid 1 van Pro de Uitleveringswet 1967 voorschrijft dat het verhoor van de opgeëiste persoon in het openbaar moet plaatsvinden, tenzij deze persoon verzoekt om een behandeling achter gesloten deuren of de rechtbank om gewichtige redenen sluiting der deuren beveelt. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat zij het verzoek mocht toetsen en afwijzen.

Desondanks oordeelt de Hoge Raad dat deze onjuiste rechtsopvatting niet leidt tot nietigheid van de bestreden uitspraak, omdat het belang van openbaarheid van de rechtspleging niet is geschaad en de controleerbaarheid van de procedure niet in het geding is geweest. Het persoonlijke belang van de opgeëiste persoon is mogelijk geraakt, maar dit rechtvaardigt geen vernietiging van de uitspraak.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de uitleveringsbeslissing van de rechtbank.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering blijft toegelaten ondanks het afgewezen verzoek tot gesloten deuren.

Conclusie

Nr. 00256/01/U
Mr Wortel
Zitting: 12 juni 2001
Conclusie inzake:
[Verzoeker=de opgeëiste persoon]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het cassatieberoep is gericht tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 15 november 2000, waarbij de uitlevering van verzoeker aan de Bondsrepubliek Duitsland ter fine van strafvervolging toelaatbaar is verklaard ter zake van de feiten, omschreven in een op 18 mei 2000 door het Amtsgericht München gegeven Haftbefehl.
2. Namens verzoeker heeft mr. R.A.J.C. Huijs, advocaat te Venlo, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt over schending van artikel 25 lid 1 Uitleveringswet Pro 1967 doordat, ondanks een verzoek van de opgeëiste persoon tot sluiting der deuren, het uitleveringsverzoek in het openbaar is behandeld.
4. Met betrekking tot dat verzoek houdt het van de zitting opgemaakte proces-verbaal in:
"De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de rechtbank de zaak met gesloten deuren te behandelen en stelt daartoe dat de opgeëiste persoon dermate last heeft van gevoelens van schaamte dat hetgeen aan de orde kan komen ter terechtzitting niet in een openbare zitting zou dienen plaats te vinden.
De officier van justitie verzet zich tegen inwilliging van dit verzoek, aangezien een behandeling achter gesloten deuren slechts in uitzonderlijke situaties kan geschieden en zich in casu niet zo'n uitzonderlijke situatie voordoet.
De opgeëiste persoon verklaart in dit verband - zakelijk weergegeven-:
Ik schaam me zeer over deze zaak. Niemand hoeft mij hier te zien.
Na beraad deelt de voorzitter mede dat de rechtbank van oordeel is dat het verhoor van de opgeëiste persoon in het openbaar dient te geschieden, aangezien de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zich ongemakkelijk voelt en zich schaamt bij openbare behandeling van zijn zaak, geen grond oplevert voor behandeling in beslotenheid. Het verhoor van de opgeëiste persoon geschiedt in het openbaar."
5. Art. 25 lid 1 Uitleveringswet Pro 1967 (UW) schrijft voor dat het verhoor van de opgeëiste persoon in het openbaar geschiedt tenzij de opgeëiste persoon een behandeling van de zaak met gesloten deuren verlangt of de Rechtbank om gewichtige redenen sluiting der deuren beveelt. Met betrekking tot dit voorschrift is in de memorie van toelichting bij de Uitleveringswet opgemerkt:
"Het voorschrift omtrent verplichte sluiting van de deuren op verzoek van de opgeëiste persoon (artikel 25, eerste lid) is ontleend aan de bestaande wet (artikel 14, eerste lid). Hoewel afwijkend van de algemene regel, volgens welke de rechter daarover zelfstandig beslist, is dit voorschrift begrijpelijk. Het past bij de aard van de procedure, waarin geen bezwaarschrift tegen behandeling ter openbare zitting mogelijk is." (Kamerstukken II, 1964-1965, 8054, nr. 3, blz.15)
6. Met zoveel woorden is hier vermeld dat sluiting der deuren verplicht is indien de opgeëiste persoon daarom verzoekt, hetgeen nog is onderstreept door er op te wijzen dat deze wettelijke bepaling een afwijking inhoudt van de algemene regel dat de rechter zelfstandig beslist over het sluiten der deuren, en dat het ontbreken van de mogelijkheid behandeling ter openbare zitting door middel van een bezwaarschrift te voorkomen de - overigens nog altijd bestaande - reden is om dit afwijkende voorschrift te handhaven.
7. Daarmee verdraagt zich niet dat de rechter zich bevoegd acht het verzoek van de opgeëiste persoon te toetsen en, zo hij bevindt dat de redenen voor het verzoek niet van voldoende gewicht zijn om het belang van openbaarheid van rechtspleging terzijde te stellen, afwijst. Het voorschrift staat, met andere woorden, gelet op de toelichting van de minister daarop, niet toe de rechter een discretionaire bevoegdheid te laten het verzoek van de opgeëiste persoon al dan niet te honoreren. In deze zin A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht, blz. 416). Dat wordt niet anders doordat de Rechtbank aan het eerste lid van art. 25 UW Pro tevens een eigen bevoegdheid ontleent de sluiting der deuren om gewichtige redenen te bevelen.
8. De afwijzing van het verzoek de deuren te sluiten getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 25 lid 1 UW Pro.
9. Hoewel de klacht in zoverre terecht is voorgesteld, meen ik niet dat, zoals in het middel wordt gesteld, nietigheid van de bestreden uitspraak daarvan het gevolg moet zijn.
10. In de toelichting op het middel wordt melding gemaakt van HR NJ 1988, 239, maar de verwijzing daarnaar kan het beoogde gevolg niet dichterbij brengen. In die zaak moest worden vastgesteld dat de behandeling van het uitleveringsverzoek niet in het openbaar had plaatsgevonden, zonder dat bleek dat hetzij de opgeëiste persoon om sluiting der deuren had verzocht, of de Rechtbank om gewichtige redenen het bevel daartoe had gegeven. Het uitgangspunt dat het verhoor van de opgeëiste persoon in het openbaar plaatsvindt - welk uitgangspunt bezien zal moeten worden in het licht van het belang dat gemoeid is met openbaarheid van rechtspleging - is, zo oordeelde de Hoge Raad, van zo wezenlijke betekenis dat de niet door een verzoek van de opgeëiste persoon of een bevel van de Rechtbank gerechtvaardigde afwijking van dat uitgangspunt nietigheid met zich meebrengt.
11. Het belang dat rechtspleging zoveel mogelijk in openbaarheid plaatsvindt is door de onjuiste beslissing van de Rechtbank juist niet geschonden. Het daardoor veroorzaakte nadeel heeft er uit bestaan dat verzoeker moest ervaren dat derden zijn verhoor konden bijwonen of wellicht zelfs hebben bijgewoond, ofschoon hij zich daarvoor schaamde. Daarmee kan zijn persoonlijk belang zijn getroffen (of verzoeker kan dat in ieder geval zo hebben ervaren), maar de controleerbaarheid van de behandeling van het uitleveringsverzoek is niet in het geding geweest.
12. De inbreuk op verzoekers belang dat zijn verhoor buiten tegenwoordigheid van derden zou plaatsvinden is, naar mij voorkomt, niet een zodanige schending van zijn processuele rechten dat de behandeling, en daarmee de uitspraak, nietig verklaard moet worden.
Daarbij voegt zich nog dat de Hoge Raad, indien de bestreden uitspraak op de in het middel aangegeven grond vernietigd zou moeten worden, de zaak naar zijn eigen zitting zou moeten verwijzen en vervolgens als feitenrechter opnieuw het uitleveringsverzoek zou moeten behandelen, bij welke gelegenheid de bij de Rechtbank opgetreden misslag eenvoudig te voorkomen zou zijn, terwijl er geen enkele aanwijzing is dat een nieuwe behandeling in enig opzicht tot een voor verzoeker gunstiger beslissing zou leiden. Ook zo beschouwd heeft verzoeker bij het middel, voor zover daarin vernietiging van de bestreden uitspraak wordt voorgestaan, geen belang.
13. Naar mijn oordeel behoeft het middel, ofschoon terecht voorgesteld, niet tot cassatie te leiden. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,