ECLI:NL:PHR:2001:AB3239
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid bij te vroeg ingesteld cassatieberoep en verwerping van het beroep
In deze zaak is verzoeker door het gerechtshof te Arnhem veroordeeld wegens overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994, met oplegging van een geldboete, subsidiair hechtenis en ontzegging van rijbevoegdheid. Verzoeker stelde geen middelen van cassatie voor, maar stelde wel op 25 oktober 1999, vóór het arrest van 8 november 1999, beroep in cassatie in.
De kern van de discussie betreft de ontvankelijkheid van dit te vroeg ingestelde cassatieberoep. De Hoge Raad bespreekt de vaste jurisprudentie dat een te vroeg ingesteld beroep in cassatie in beginsel leidt tot niet-ontvankelijkheid, tenzij de griffier de verdachte niet heeft geïnformeerd over het te vroeg instellen van het beroep. In deze zaak blijkt uit de cassatieakte niet dat verzoeker door de griffier op de hoogte is gesteld dat het arrest nog niet was gewezen op de datum van het beroep.
Daarom oordeelt de Hoge Raad dat verzoeker ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. Ambtshalve heeft de Hoge Raad vervolgens geen inhoudelijke gronden voor cassatie gevonden en concludeert tot verwerping van het beroep. Hiermee wordt het arrest van het gerechtshof bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep is ontvankelijk verklaard maar inhoudelijk verworpen.