ECLI:NL:PHR:2001:AB3280

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03022/00 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 SvArt. 218 SvArt. 344 SvArt. 447 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beslagverbod en verschoningsrecht bij inbeslagneming medische scan

In deze zaak staat centraal de vraag of een medische scan valt onder het beslagverbod van artikel 98 van Pro het Wetboek van Strafvordering, dat brieven en andere geschriften die onder het verschoningsrecht vallen beschermt tegen inbeslagneming zonder toestemming van de verschoningsgerechtigde. De zaak betreft een huiszoeking en inbeslagneming van een gesloten verzegelde enveloppe met een scan uit een ziekenhuis, waartegen klaagster bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en beval teruggave van de scan.

De officier van justitie stelde cassatie in tegen deze beslissing. In de cassatieconclusie wordt uitgebreid ingegaan op de uitleg van het beslagverbod en het begrip 'geschrift' in art. 98 Sv Pro, waarbij wordt vastgesteld dat dit begrip beperkt moet worden uitgelegd als een in leesbare tekens gevatte mededeling, en dat een scan, als een elektronische afbeelding, hier niet onder valt. De bescherming van het verschoningsrecht strekt zich niet uit tot dergelijke voorwerpen.

Verder wordt besproken dat de raadkamer bij haar beslissing niet voldoende gemotiveerd heeft waarom het verschoningsrecht in deze zaak zou moeten wijken, en dat de cassatierechter slechts beperkt kan toetsen omdat de feiten en omstandigheden onvoldoende zijn vastgesteld. Ook wordt gewezen op procedurele aspecten rondom het cassatieberoep en de positie van de verdachte en klaagster.

De Hoge Raad concludeert dat de scan geen geschrift is in de zin van art. 98 Sv Pro en dat de inbeslagneming daarvan geoorloofd was. Het middel wordt daarom verworpen en het beroep afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de inbeslagneming van de medische scan geoorloofd is omdat deze geen geschrift is in de zin van art. 98 Sv.

Conclusie

Nr. 03022/00/B
Mr Machielse
Parket, 5 juni 2001
Conclusie inzake:
[Klaagster] en [klager]
Edelhoogachtbaar College,
1. Op 27 januari 2000 heeft de rechter-commissaris in de rechtbank te 's-Gravenhage huiszoeking ter inbeslagneming gedaan in [ziekenhuis B], tevens handelende onder de naam [...]. Tijdens de huiszoeking is aan de rechter-commissaris een gesloten verzegelde enveloppe overhandigd met daarin een scan. Een scan is een lijnsgewijs opgebouwde afbeelding die tot stand is gekomen door aftasting van (een onderdeel van) het lichaam met behulp van electronische apparatuur. [Klaagster] heeft een bezwaarschrift tegen de inbeslagneming ingediend. De rechtbank 's-Gravenhage heeft op 17 april 2000 het bezwaarschrift gegrond verklaard en de teruggave van de enveloppe met inhoud aan klaagster gelast.
2. De officier van justitie heeft op 28 april 2000 cassatie ingesteld en een cassatieschriftuur ingezonden. Op 23 maart 2001 is van mr B. Sluijters, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift in cassatie ontvangen.
3. De rechtbank heeft haar beslissing als volgt gemotiveerd:
Ingevolge artikel 98, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is het verboden om zonder toestemming van de verschoningsgerechtigde, als bedoeld in artikel 218 van Pro evengenoemd wetboek, in beslag te nemen brieven en andere geschriften die onder het verschoningsrecht vallen voor zover zij geen voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.
Klagers behoren tot deze verschoningsgerechtigden.
Blijkens een tweetal arresten van de Hoge Raad (HR 14 oktober 1986, NJ 1987, 490, en HR 20 juni 1988, NJ l989, 213) moet het beroepsgeheim onder zeer uitzonderlijke omstandigheden wijken voor het belang van de waarheidsvinding.
De rechtbank is van oordeel dat van zodanige omstandigheden thans in casu geen sprake is.
Dit zou mogelijk anders kunnen zijn indien het bijvoorbeeld zou gaan om het verkrijgen van een sluitstuk in een bewijsvoering maar dat is hier niet het geval.
Ook dan zal evenwel een zorgvuldige afweging van alle relevante belanggen dienen plaats te vinden.
4.1. De schriftuur van de officier van justitie houdt in dat de waardering van de rechtbank van de omstandigheden die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of een doorbreking van het verschoningsrecht geoorloofd is onjuist is. Ter onderbouwing van dit standpunt gaat de steller van het middel in de eerste plaats in op de achtergrond van de gewraakte inbeslagneming. Vervolgens draagt de steller argumenten aan die de stelling dat in dit geval het verschoningsrecht dient te worden doorbroken moeten schragen. Daarna voert de steller van het middel aan dat de beschikking ontoereikend is gemotiveerd nu patiënte is overleden en het belang dat de samenleving heeft bij opheldering en bestrijding van geweldscriminaliteit steeds meer gewicht zou krijgen, ook ten koste van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van het medisch verschoningsrecht.
4.2. Wat betreft de schildering van de omstandigheden van het geval moet ik constateren dat de feiten en kenmerken van de strafzaak waarop de officier van justitie zich beroept in cassatie niet vaststaan. Tijdens het onderzoek in raadkamer heeft de officier van justitie ermee volstaan te concluderen tot ongegrondverklaring van het klaagschrift. Uit de beschikking blijkt wel dat de rechtbank kennis heeft genomen van het dossier maar dat wil nog niet zeggen dat het dossier een stuk is waarvan de cassatierechter kennis neemt.(1) Het zou wellicht anders hebben kunnen liggen indien de officier van justitie tijdens het onderzoek in raadkamer de zwaarte van de verdenking en de ernst van de feiten gemotiveerd aan de hand van het dossier had toegelicht. Dan zou de raadkamer zich wellicht geroepen hebben gezien nader op de uiteenzettingen van het OM in te gaan en was het ook voor de cassatierechter gemakkelijker om na te gaan of de raadkamer misschien art. 98 Sv Pro verkeerd heeft uitgelegd. Bij gebreke van zo een opening is een toetsing door de cassatierechter, zeker wanneer het een OM-cassatie betreft, tot een verwaarloosbare kans gereduceerd. De waardering van de omstandigheden van het geval is immers bij uitstek een aangelegenheid voor de feitenrechter die beter dan de cassatierechter in staat is op grond van alle relevante factoren de aard en ernst van de verdenking vast te stellen, het belang van de beschikking over de scan voor het voorbereidend onderzoek et cetera.(2)
Het middel is vruchteloos voorgesteld.
5.1. Ambtshalve wil ik wel een aantal opmerkingen maken, hoewel ik mij ervan bewust ben dat de Hoge Raad tot nu toe de stelregel hanteert dat niet ambtshalve wordt vernietigd als het OM cassatie heeft ingesteld. Deze stelregel hangt samen met het idee van rechtsbescherming van verdachte. Van Dorst vermoedt dat deze beperking van de toetsing door de Hoge Raad ermee samenhangt dat de verdachte zich niet heeft kunnen uitlaten over de fouten die de Raad zelf heeft ontdekt buiten de cassatiemiddelen van het OM om.(3) Ik waag het toch om te wijzen op enige discutabele punten in de behandeling door de raadkamer omdat de verdachte in deze zaak slechts op de achtergrond figureert. Het betreft immers een klaagschrift van een instantie die niet verdacht is, maar onder welke een inbeslagneming heeft plaatsgevonden.
Voorts zal klaagster op de in deze conclusie ambtshalve aangeroerde punten haar standpunt aan de Raad kunnen kenbaar maken, hoewel uit art. 447, lid 6 Sv, dat slechts het tweede en het vierde lid van art. 439 Sv Pro van overeenkomstige toepassing verklaart, zou kunnen worden afgeleid dat de mogelijkheid tot reactie op de conclusie die het vijfde lid van art. 439 Sv Pro biedt, in beschikkingszaken niet zou zijn gegeven. Die laatste uitleg acht ik niet correct. Tot 1 juni 1999 bestond art. 439 Sv Pro uit vier leden. Het tweede lid voorzag in toezending van een exemplaar van de conclusie aan verdachte of raadsman, het vierde lid gaf de mogelijkheid om op de conclusie te reageren binnen twee weken na verzending. In beschikkingszaken waren deze twee bepalingen van overeenkomstige toepassing volgens art. 447 lid 6 Sv Pro. Bij de Wet van 28 oktober 1999, Stb. 467 (in werking getreden 1 oktober 2000) is bepaald dat een cassatieberoep enkel ontvankelijk is als voor een bepaald tijdstip een schriftuur met cassatiemiddelen, afkomstig van een advocaat, is ontvangen. Het zesde lid van art. 447 Sv Pro is onveranderd gebleven en verklaart nog steeds de leden 2 en 4 van art. 439 Sv Pro van overeenkomstige toepassing. Maar art. 439 Sv Pro is wél gewijzigd. Het bestaat sinds 1 oktober 2000 uit vijf in plaats van vier leden. Door invoeging van een nieuw tweede lid in art. 439 Sv Pro zijn de oude leden 2 tot en met 4 - na aanpassing aan de nieuwe ontvankelijkheidseis - hernummerd tot nieuwe leden 3 tot en met 5. De verwijzing in art. 447 Sv Pro naar de leden 2 en 4 van art. 439 Sv Pro is niet aangepast. Waarschijnlijk is de noodzaak van aanpassing van art. 447 Sv Pro simpelweg over het hoofd gezien. De wetsgeschiedenis geeft in ieder geval geen aanknopingspunt voor het vermoeden dat de wetgever heeft willen breken met de regeling die daarvoor bestond, inhoudende dat in beschikkingszaken aan verzoeker óók gelegenheid werd gegeven op de conclusie te reageren.(4)
Een ander punt in dit verband is het volgende. Per 1 oktober 2000 is de wettelijke regeling van het beroep in cassatie ook in die zin gewijzigd, dat de verdachte niet meer zelf een schriftuur met middelen kan indienen, maar dat door zijn raadsman dient te laten doen. Het beroep in cassatie is zonder zo een schriftuur niet ontvankelijk. De Memorie van toelichting schrijft dat in zoverre de verdachte in cassatie wordt gelijkgesteld met het openbaar ministerie.(5) Deze gelijkstelling was in het oorspronkelijk wetsvoorstel zelfs compleet omdat ook in de gevallen waarin een verdachte cassatie had ingesteld en een raadsman een schriftuur had ingediend ambtshalve cassatie werd uitgesloten. Nadien is echter de ambtshalve cassatie op aandringen van de Tweede Kamer weer ingevoerd.(6) Maar ook op andere punten heeft de wetgever gelijkstelling van het cassatieberoep van de verdachte aan dat van het OM gewild.(7) Zo is het indienen van middelen namens de verdachte evenals voor het OM al gold thans aan een termijn gebonden. Ik meen daarom dat er een tendens is waar te nemen om de positie van het OM en van de verdachte dichter bij elkaar te brengen. Dat op aandrang van de Tweede Kamer de oorspronkelijk voorziene uitsluiting van de ambtshalve cassatie weer is teruggedraaid vind ik geen zwaar contra-argument, integendeel. Ten eerste is in de discussie over de ambtshalve cassatie geen woord gewijd aan de situatie dat alleen het OM cassatie heeft ingesteld. Ten tweede is als argument tegen het afschaffen van de ambtshalve toetsing in cassatie aangevoerd dat zulks "een aantasting van de kwaliteit van de rechtsbedeling, in het bijzonder met betrekking tot de zorgvuldigheid en de rechtseenheid" zou betekenen.(8) Hetzelfde argument kan men aanvoeren voor het doorbreken van de thans geldende praktijk in OM-cassaties.
Het is hoe dan ook te betreuren dat de Hoge Raad over belangwekkende vragen die in een zaak waarin het OM cassatie heeft ingesteld geen duidelijkheid verschaft omdat die kwesties in de cassatieschriftuur niet aan de orde komen. Wellicht is dan - uitgaande van de bestendiging van de lijn die de Hoge Raad tot nog toe volgt - de conclusie een plaats om ten behoeve van de rechtskundige discussie enige vraagtekens te plaatsen bij de bestreden beslissing.
5.2. In de eerste plaats merk ik op - met het oog op de rechtsvorming een punt van slechts ondergeschikt belang - dat de behandeling door de raadkamer in strijd met het bepaalde in art. 552a lid 5 Sv niet in het openbaar heeft plaatsgevonden, zonder dat de raadkamer haar beslissing om het onderzoek met gesloten deuren te doen plaatsvinden heeft gemotiveerd. Dat zou een grond voor vernietiging zijn geweest.(9)
5.3. In de tweede plaats rijst de vraag of de rechtbank geen blijk heeft gegeven van een verkeerde uitleg van art. 98 Sv Pro en meer bepaald van de passage in art. 98 Sv Pro die rept van "brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt." Deze beperking van de bevoegdheid tot inbeslagneming vindt ook haar grond in het zwaarwegend belang dat eenieder de mogelijkheid heeft om een arts, notaris, advocaat of geestelijke te raadplegen zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan de hulpverlener in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd.(10)
Artikel 98 Sv Pro dient hetzelfde belang als het verschoningsrecht zoals Blok en Besier opmerken:
Voert men het beginsel, waarop dat verschooningsrecht berust, door, dan moet men er niet alleen voor zorgen, dat een aan zoodanigen vertrouwenspersoon mondeling toevertrouwd geheim niet door de justitie aan dezen kan worden ontlokt, doch ook dat de schriftelijk aan hem geopenbaarde geheimen door haar worden geëerbiedigd.(11)
Maar Blok en Besier laten hun licht ook nog schijnen op een ander discussiepunt in de wetsgeschiedenis van art. 98 Sv Pro:
Bevat dus het eerste lid van art. 98 een Pro beperking van de voorwerpen, die bij de geheimhouders in beslag mogen worden genomen, in het tweede lid heeft men er voor willen zorgen, dat het stands- beroeps- of ambtsgeheim bij de huiszoeking niet in het gedrang zou raken Art. 97 geeft Pro aan de Officieren en hulpofficieren het recht van huiszoeking ter inbeslagneming zonder te onderscheiden tusschen geschriften en andere voorwerpen. Zij mogen zoeken en in beslagnemen wat voor inbeslagneming vatbaar is (art. 94). Doch anders wilde men bepalen ten aanzien van de huiszoekingen, die deze ambtenaren zouden willen instellen bij de zgn. geheimhouders. Men wilde zelfs het zoeken in de correspondentie, boeken en papieren van den arts, advocaat en geestelijke beletten en langs dezen weg de positie dier "Vertrauensmänner" in het strafproces ten zeerste versterken. (M. v. T. op art. 98).
Ten einde dat doel te verwezenlijken had men aan het eerste lid toegevoegd een tweede lid van den volgenden inhoud :
"Geschiedt bij zoodanige personen huiszoeking, dan strekt zij zich niet uit tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben."
Gelijk hierboven werd aangegeven, werd hierdoor vastgesteld, dat de O. v. J. en zijn hulpofficier ter gelegenheid van eene huiszoeking bij de geheimhouders alleen mochten zoeken - behalve natuurlijk naar andere voorwerpen dan geschriften - naar brieven en geschriften, welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben. Naar andere brieven en geschriften, waarvan de inbeslagneming anders op grond van art. 94 i. v. m. het eerste lid van art. 98 mogelijk Pro zou zijn geweest, mocht dus niet worden gezocht.
Doch was men door dit oorspronkelijk voorgestelde tweede lid er in geslaagd het hierboven aangegeven doel te verwezenlijken?
In het Verslag der C. v. V. (V. en A bl. 37, kolom 2) werd het betwijfeld. Er werd opgemerkt, dat het artikel weinig afdoende zoude werken, voorzoover bij een onderzoek van brieven of geschriften veelal niet de onderscheiding zou zijn te maken tusschen hetgeen wel en niet zou mogen worden onderzocht om in beslag genomen te worden. De opmerking was juist. Men zou naar die geschriften geen onderzoek kunnen instellen zonder gevaar te loopen papieren te onderzoeken, waarover het stands- beroeps- of ambtsgeheim zich wel uitstrekte.
Ten einde aan die opmerking te gemoet te komen heeft Minister Ort het tweede lid aangevuld tot het voorschrift, zooals het thans luidt. Door die aanvulling is nu duidelijk vastgesteld, dat bij de geheimhouders de huiszoeking naar brieven of geschriften, welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben of naar voorwerpen die geen geschriften zijn, tenzij met hunne toestemming, niet mag plaatsvinden, dan voor zoover zij zonder schending van het meergenoemde geheim(12) kan geschieden.
Ook hier weer zal dus bij de beoordeeling der vraag, of zekere geschriften zullen mogen worden doorzocht, de geheimhouder een hartig woord hebben mede te spreken.
Verklaart deze, dat zekere papieren alle aan hem als zoodanig gerichte mededeelingen bevatten, dan zullen deze papieren niet mogen worden doorzocht.(13)
5.4. Ik maak uit het bovenstaande het volgende op. Art. 98 lid 1 Sv Pro bevat een beslagverbod voor brieven en bescheiden die vallen onder de plicht tot geheimhouding. Art. 98 lid 2 Sv Pro geeft aan waarnaar en hoe bij verschoningsgerechtigde gezocht mag worden. Doorzoeking bij een verschoningsgerechtigde dient te geschieden met respect voor de geheimhoudingsplicht. Dat betekent dat als de doorzoekers stuiten op geheimhoudersstukken deze moeten worden ontzien.(14) De doorzoeking dient zo te zijn georganiseerd dat de kans dat brieven en geschriften die aan de geheimhouder in diens hoedanigheid zijn toevertrouwd onder ogen komen van derden zo klein mogelijk is. Er mag niet gezocht worden naar andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.(15) Dat betekent dus niet dat bij een verschoningsgerechtigde voorwerpen, andere dan brieven en geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet zouden mogen worden gezocht en inbeslaggenomen, maar slechts dat bij de doorzoeking gevonden brieven en geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich wél uitstrekt worden gerespecteerd.
Inbeslagneming onder een geheimhouder van andere voorwerpen dan van brieven en geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt is gelet op de tekst van de wet geoorloofd.(16) Het beslagverbod strekt zich niet zo ver uit.
5.5. De vraag die ik mij stel is of een scan onder het beslagverbod valt. Mij dunkt dat het niet zozeer de vraag is of medische onderzoeksgegevens zoals het resultaat van een scan onder de geheimhoudingsplicht vallen van de onderzoeksinstelling of desbetreffende arts. Art. 88 Wet Pro op de beroepen in de individuele gezondheidszorg verplicht een ieder geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen. Resultaten van medisch onderzoek zijn doorgaans zo precair en intiem dat zij per definitie onder de geheimhouding zullen vallen. Maar dat wil nog niet meteen zeggen dat die onderzoeksresultaten die in een scan zijn neergelegd ook onder het beslagverbod van art. 98 lid 1 Sv Pro vallen, omdat daarvoor immers nodig is dat het brieven of geschriften betreft en geen andere voorwerpen. De vraag is dus of een scan een brief of geschrift is.
5.6. Het strafrecht biedt enige orientatiepunten voor de beantwoording van deze vraag. In het materiële strafrecht valt te wijzen op art. 225 Sr Pro waarin de wetgever ook van een geschrift spreekt. Het begrip heeft daar een uitgebreide betekenis. Het omvat alle in letter- of cijferschrift gestelde stukken, iedere weergave van lees- en cijfertekens.(17) Ook levert een geschrift op een verzameling van met enige duurzaamheid op een magneetschijf vastgelegde gegevens omtrent betalingsopdrachten welke op tamelijk eenvoudige wijze leesbaar konden worden gemaakt.(18) Nodig is dat de tekens leesbaar zijn en uitgesproken kunnen worden. Tekeningen, foto's, vlekken zijn dat niet, tenzij zij van tekst zijn voorzien.(19)
Ook in de strafvordering komt het woord 'geschrift' voor, bijvoorbeeld in het bewijsrecht. Corstens omschrijft "schriftelijke bescheiden" waarvan art. 344 lid 1 rept Pro, als stukken die voor voorlezing vatbaar zijn.(20) Andere voorwerpen zijn geen geschriften. Foto's, films, video's, kaarten, grafieken, situatieschetsen etc. zijn slechts object van eigen waarneming van de rechter.(21)
Ik wil hier niet bepleiten om uniform en overal in het strafrecht enkel vanwege taalkundige argumenten aan de woorden "brieven en geschriften" dezelfde betekenis toe te kennen. Die betekenis dient immers ook af te hangen van de context waarin de woorden zijn geplaatst en de ratio van de regeling. De ratio van art. 98 Sv Pro is een andere dan die van art. 344 Sv Pro. In het eerste artikel staat de bescherming van de vertrouwensrelatie voorop, die niet mag worden doorbroken in het belang van de opheldering van een verdenking. De tweede bepaling bevat een aanduiding van een aantal wettige bewijsmiddelen en de aan het gebruik daarvan verbonden voorwaarden. Toch kan mijns inziens niet zomaar gezegd worden dat beide bepalingen helemaal niets met elkaar te maken hebben. Art. 98 lid 1 Sv Pro bevat een beslagverbod. Inbeslagneming is een bevoegdheid die in het kader van de waarheidsvinding kan worden toegepast. Dat betekent dat inbeslagneming vaak gericht zal zijn op het verzamelen van bewijs. Zij kan dan strekken tot het verzamelen van wettige bewijsmiddelen zoals daar zijn geschriften die nadien door de rechter voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Aldus kunnen art. 98 lid 1 Sv Pro en art. 344 Sv Pro elkaar raken. Dit raakvlak biedt een argument om "brieven en geschriften" in art. 98 Sv Pro op dezelfde wijze uit te leggen als zulks geschiedt in art. 344 Sv Pro.
Kortom; de wetgever heeft uitdrukkelijk de bescherming van art. 98 Sv Pro slechts willen doen uitstrekken tot bepaalde brieven en geschriften en niet tot overige voorwerpen. Het zou in strijd zijn met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om onder "geschriften" ook bijvoorbeeld voorwerpen als het bloedmonster van verdachte of de verwijderde kogel te begrijpen. Voor de bepaling van de inhoud van "geschrift" in art. 98 Sv Pro dient aansluiting te worden gezocht bij de uitleg van andere bepalingen die betrekking hebben op geschriften. Onder geschrift is dan te verstaan een in leesbare tekens gevatte mededeling en niet een weergave als een foto, tekening enz.
De scan vormt dus geen geschrift in de zin van art. 98 Sv Pro en had in beslag genomen mogen worden. De raadkamer is naar mijn oordeel uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting. Maar nu het middel daarover niet klaagt en het een cassatieberoep van de Officier van justitie betreft zal de Hoge Raad op dit punt de beschikking wel niet willen vernietigen.
6. Het middel is daarom vruchteloos voorgesteld.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 4e druk, p.73.
2 Aldus ook het verweerschrift in cassatie onder 7.
3 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 4e druk, p.119.
4 Zie Kamerstukken II, 1997-1998, 26027, nr.3, p.4, p.23, p.24.
5 Kamerstukken II, 1997-1998, 26027, nr.3, p.11.
6 Kamerstukken II, 1998-1999, 26027, nr.5, p.6. Overigens blijkt nergens uit de gedachtewisseling dat de praktijk dat de Hoge Raad niet ambtshalve pleegt te casseren als het OM cassatie heeft ingesteld voorwerp van discussie is geweest.
7 Bijvoorbeeld de geluijkschakeling in de beroepsmogelijkheiden; Kamerstukken II, 1997-1998, 26027, nr.3, p.25.
8 Kamerstukken II, 1997-1998, 26027, nr.4, p.5.
9 HR NJ 1996,620.
10 HR NJ 1994,552.
11 Blok/Besier, eerste deel, p.313; F.Vellinga-Schootstra, Inbeslagneming en huiszoeking, p.171 e.v.
12 De auteurs hebben hier het oog op het geheim van de correspondentie zoals dat blijkt uit de context van hun opmerkingen. Uit deze passage mag niet worden opgemaakt dat naar voorwerpen waarop een geheimhoudingsplicht rust niet meer zou mogen worden gezocht en dat deze voorwerpen niet in beslag zouden mogen worden genomen.
13 Blok/Besier, Het Nederlandsche Strafproces, 1925, Eerste Deel, p.316/317.
14 Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 3e druk, p.455.
15 R.M. Vennix, Boef en beslag, 1998, p. 159. Zie voorts het arrest waarnaar Vennix verwijst; HR NJ 1989,213.
16 Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 3e druk, p.453; F.Vellinga-Schootstra, Inbeslagneming en huiszoeking, p.170. Reijntjes schrijft wel van brieven "of andere gegevensdragers", maar aldus wordt de tekst va art. 98 Sv Pro wel opgerekt (De Nederlandse strafvordering, 8e druk, p. 184). Vennix pleit dan ook voor een aanpassing van de wet, p.157. Ik merk in dit verband wel op dat art. 73 Wet Pro op de lijkbezorging een regeling biedt voor het verrichten van sectie op een stoffelijk overschot zonder dat de overledene daarvoor toestemming heeft verleend. Zo een sectie kan zonder toestemming worden verricht "in geval van een bevel van een gerechtelijke autoriteit in verband met een strafrechtelijk onderzoek". Deze regeling houdt evenwel niets in over de inbeslagneming van een stoffelijk overschot. Het komt mij voor dat het verschoningsrecht van de behandelend arts niet in de weg staat aan inbeslagneming door de officier van justitie van een stoffelijk overschot om daarop sectie te doen verrichten. Mij zijn ook geen gevallen bekend waarin een arts afgifte van een lijk heeft geweigerd met een beroep op zijn verschoningsrecht. Dat impliceert dat er "voorwerpen" zijn - het lichaam van een patient - die bij uitstek kunnen gelden als bij leven te zijn toevertrouwd aan een geheimhouder zonder dat art. 98 Sv Pro aan inbeslagneming daarvan in de weg mag staan.
17 NLR aant.2 bij art. 225.
18 HR NJ 1991,668. In zijn noot legt Corstens ook de nadruk op het facet van de leesbaarheid, zij het dat zij niet direct behoeft te bestaan. Idem F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, 1985, p.40.
19 NLR aant.2 bij art. 225. Zie voorts NLR Suppl. 92, p.622, waar Van Dorst zijn twijfels uit over de opvatting dat ook grammofoonplaten, videobanden, films als gegevensdragers "geschrift" zouden zijn.
20 Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 3e druk, p.650.
21 Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 3e druk, p.620.