ECLI:NL:PHR:2001:AB3280
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beslagverbod en verschoningsrecht bij inbeslagneming medische scan
In deze zaak staat centraal de vraag of een medische scan valt onder het beslagverbod van artikel 98 van Pro het Wetboek van Strafvordering, dat brieven en andere geschriften die onder het verschoningsrecht vallen beschermt tegen inbeslagneming zonder toestemming van de verschoningsgerechtigde. De zaak betreft een huiszoeking en inbeslagneming van een gesloten verzegelde enveloppe met een scan uit een ziekenhuis, waartegen klaagster bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en beval teruggave van de scan.
De officier van justitie stelde cassatie in tegen deze beslissing. In de cassatieconclusie wordt uitgebreid ingegaan op de uitleg van het beslagverbod en het begrip 'geschrift' in art. 98 Sv Pro, waarbij wordt vastgesteld dat dit begrip beperkt moet worden uitgelegd als een in leesbare tekens gevatte mededeling, en dat een scan, als een elektronische afbeelding, hier niet onder valt. De bescherming van het verschoningsrecht strekt zich niet uit tot dergelijke voorwerpen.
Verder wordt besproken dat de raadkamer bij haar beslissing niet voldoende gemotiveerd heeft waarom het verschoningsrecht in deze zaak zou moeten wijken, en dat de cassatierechter slechts beperkt kan toetsen omdat de feiten en omstandigheden onvoldoende zijn vastgesteld. Ook wordt gewezen op procedurele aspecten rondom het cassatieberoep en de positie van de verdachte en klaagster.
De Hoge Raad concludeert dat de scan geen geschrift is in de zin van art. 98 Sv Pro en dat de inbeslagneming daarvan geoorloofd was. Het middel wordt daarom verworpen en het beroep afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de inbeslagneming van de medische scan geoorloofd is omdat deze geen geschrift is in de zin van art. 98 Sv.