ECLI:NL:PHR:2001:AB3286

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03074/00
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis wegens niet-ontvankelijke hoger beroep door onjuiste dagvaarding

Verzoeker werd bij verstek veroordeeld tot boetes wegens onverzekerd rijden en rijden zonder rijbewijs. Het cassatieberoep werd tijdig en correct ingesteld, maar het hoger beroep was niet-ontvankelijk omdat het was ingesteld via een dubbele volmacht, wat niet is toegestaan.

De dagvaarding in hoger beroep werd niet rechtsgeldig betekend omdat de griffier niet voldeed aan de wettelijke vereisten voor het toezenden van de gerechtelijke mededeling als gewone brief na niet-afgifte. Hierdoor is de uitreiking van de dagvaarding niet conform de wet verlopen.

De Hoge Raad adviseert om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren en het bestreden vonnis te vernietigen, waarna de zaak opnieuw in appèl behandeld moet worden. Dit is ook proces-economisch wenselijk omdat de appelrechter geen andere beslissing kan nemen dan niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden vonnis vernietigd.

Conclusie

Mr Jörg
Nr. 03074/00
Zitting 26 juni 2001
Conclusie inzake:
[Verdachte=verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verzoeker is bij vonnis van 28 januari 1999 van de enkelvoudige appèlkamer van de rechtbank te 's-Hertogenbosch bij verstek veroordeeld tot een boete van f. 660 en een van f. 280 wegens resp. onverzekerd rijden, zonder rijbewijs.
2. Het cassatieberoep is bijtijds en op juiste wijze ingesteld. Een schriftuur houdende middelen van cassatie is niet ingekomen.
3. Ik vermeldde dat het cassatieberoep op juiste wijze is ingesteld, om het contrast te markeren met het hoger beroep, dat niet op juiste wijze is ingesteld, namelijk naar aanleiding van een volmacht, gegeven door de raadsman aan een griffiebeambte. Uw Raad heeft het instellen van rechtmiddel door middel van een dergelijke dubbele volmacht nimmer goedgekeurd, en onlangs nog de achtergronden van deze vaste houding aangegeven (HR 30 januari 2001, NJ 2001, 293 m.nt. JdH). De appèlrechter had het hoger beroep derhalve niet-ontvankelijk behoren te verklaren. Nu dat niet is gebeurd, ga ik voort met mijn volgende opmerkingen.
4. Het dossier is blijkens het daarop geplaatste stempel op 5 september 2000 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Tussen de dag van het instellen van het cassatieberoep (7 juli 1999) en die van de ontvangst der stukken is derhalve een termijn van 14 maanden verstreken. Uw Raad hanteerde ook destijds al voor deze periode een redelijk termijn van 8 maanden (HR 26 januari 1999, NJ 1999, 326). Deze opmerking betreft dus de snelheid waarmee het hoger beroepstraject is afgewerkt.
5. Dan nu mijn tot vernietiging van de beslissing leidende bemerking. Blijkens de akte van uitreiking is de dagvaarding, na tevergeefs te zijn aangeboden op het adres [a-straat 1] (alwaar verzoeker volgens het GBA-overzicht van 7 januari 1999 stond ingeschreven), en na voor afhalen gereed te hebben gelegen op het postkantoor, teruggezonden aan de griffie. Dit alles is in overeenstemming met art. 588, derde lid, sub b, en sub c, eerste en tweede zin. De derde en laatste zin van dat sub-onderdeel vereist echter dat de griffier de gerechtelijke mededeling onverwijld als gewone brief over de post aan het - inmiddels geverifieerde - adres toezendt, alsmede dat hij dit aantekent op de akte van uitreiking.
6. De akte van uitreiking bevat niet de aantekening dat de gerechtelijke brief als gewone brief is verzonden. De gehele rubriek is opvallend oningevuld gebleven.
7. Dit betekent dat de uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep niet in overeenstemming met de wet heeft plaats gevonden, dat het vonnis vernietigd behoort te worden, en dat de zaak opnieuw in appèl behandeld moet worden. Aangezien de appèlrechter rechtens tot geen andere beslissing kan komen, dan een niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, adviseer ik Uw Raad om, wegens proces-economische redenen, zelf de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep uit te spreken.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG