ECLI:NL:PHR:2001:AB3326
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens schending recht op aanwezigheid verdachte bij hoger beroep
De verdachte stelde hoger beroep in tegen een vonnis van de politierechter. Tijdens de zitting van het hof op 21 februari 2000 was de verdachte niet aanwezig, waarop het hof verstek verleende en de zaak behandelde. De verdachte was echter gedetineerd in een andere inrichting en er was geen vervoer geregeld om zijn aanwezigheid mogelijk te maken. Een advocaat informeerde het hof hierover na de zitting, maar het hof weigerde het onderzoek te heropenen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof had moeten onderzoeken of de verdachte door zijn detentie verhinderd was te verschijnen en had moeten overwegen het onderzoek te schorsen of te heropenen. Het hof had niet mogen volstaan met de mededeling van een medewerker zonder schriftelijke onderbouwing. De weigering tot heropening zonder nadere motivering was onbegrijpelijk en schond het recht van de verdachte op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar een ander hof voor hernieuwde berechting. Tevens werd opgemerkt dat het nieuwe hof moet overwegen of dezelfde rechters die het verstekvonnis hadden gewezen mogen deelnemen aan de verdere behandeling, waarbij de voorkeur wordt gegeven aan nieuwe rechters.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde berechting wegens schending van het recht op aanwezigheid van de verdachte.