ECLI:NL:PHR:2001:AB3338
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak bedreiging met vuurwapen bevestigd ondanks verzoek tot wijziging tenlastelegging
Verdachte werd ten laste gelegd dat hij politiefunctionarissen bedreigde met een misdrijf tegen het leven gericht door dreigend te roepen dat iemand kapotgeschoten moest worden en met een vuurwapen te dreigen en te schieten. De rechtbank sprak verdachte vrij omdat niet kon worden bewezen dat sprake was van bedreiging, mede omdat verklaringen ontbraken waaruit een bedreiging tegen het leven bleek en verdachte geen opzet had om iemand te bedreigen.
Het Openbaar Ministerie stelde hoger beroep in, waarbij de advocaat-generaal wijziging van de tenlastelegging vorderde naar poging tot doodslag of zware mishandeling door het afvuren van een schot. Het hof wees deze wijziging af wegens schending van het vertrouwensbeginsel, omdat verdachte erop mocht vertrouwen dat de rechtsstrijd zich beperkte tot bedreiging.
De advocaat-generaal stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing, maar de Hoge Raad oordeelde dat de vrijspraak een vrijspraak in de zin van artikel 430 lid 1 Sv Pro is en dat de advocaat-generaal niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep. De Hoge Raad benadrukte de beschermende werking van artikel 430 Sv Pro en wees een verdere toetsing af, waarbij ook werd gewezen op de problematiek rond wijziging van de tenlastelegging en de grenzen van de cassatierechter.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de vrijspraak en verklaarde het cassatieberoep van de advocaat-generaal niet-ontvankelijk, waarmee de zaak definitief werd gesloten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens bedreiging met een vuurwapen en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk.