ECLI:NL:PHR:2001:AD3841
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging veroordeling wegens ontbreken inrichting onder Wet milieubeheer
Verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld voor het zonder vergunning oprichten en in werking hebben van een inrichting in strijd met art. 8.1 Wet milieubeheer. Het betrof het storten van afvalstoffen, waaronder een olietank en asbesthoudend materiaal, in de bodem van een perceel in Son en Breugel.
De Hoge Raad onderzocht of de activiteiten van verdachte kwalificeerden als een inrichting zoals bedoeld in art. 1.1 Wm. Uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bleek dat een inrichting een bedrijvigheid is die pleegt te worden verricht binnen zekere begrenzing, terwijl eenmalige activiteiten die binnen korte tijd worden afgerond niet als inrichting gelden.
In casu betrof het storten van afvalstoffen een eenmalige activiteit die in enkele dagen was afgerond. De Hoge Raad concludeerde dat geen sprake was van een inrichting in de zin van de Wm en dat het hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat dit wel zo was.
Daarom werd het eerste cassatiemiddel gegrond verklaard, het vonnis vernietigd en de zaak terugverwezen naar een ander gerechtshof voor hernieuwde behandeling in hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd wegens ontbreken van een inrichting en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.