ECLI:NL:PHR:2001:AD3922
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Begrip schuld van het schip in aanvaringsrecht bij brand in jachthaven
In deze zaak staat de betekenis van het begrip 'schuld van het schip' centraal binnen het aanvaringsrecht. De kwestie ontstond na een brand op 26 december 1991 in een jachthaven, waarbij vijf aangemeerde binnenvaartuigen, waaronder de Casuele en De Toekomst, beschadigd raakten. Verweerder stelde dat de brand was begonnen aan boord van de Casuele, eigendom van eiser, en dat daardoor schade aan De Toekomst was veroorzaakt. Hij vorderde vergoeding op grond van artikel 8:1005 BW Pro.
De rechtbank wees de vordering af, maar het hof stond toe dat verweerder bewijs leverde dat de brand aan boord van de Casuele was ontstaan en vervolgens was overgeslagen. Het hof overwoog dat indien dit bewezen wordt, de schuld van de Casuele gegeven is, tenzij sprake is van overmacht. Eiser kwam in cassatie tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de discussie tussen de risicoleer en schuldleer omtrent het begrip schuld van het schip. De risicoleer houdt in dat schuld aanwezig is zodra het schip verkeerd vaart door een oorzaak aan boord, ongeacht verwijtbaarheid. De schuldleer vereist dat de schade het gevolg is van een verwijtbare gedraging of gebrek. De Hoge Raad concludeert dat het hof terecht de schuldleer toepaste en dat een gebrek van het schip als schuld van het schip wordt beschouwd. De risicoleer wordt afgewezen als onjuist voor het Nederlandse aanvaringsrecht.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het hof mocht uitgaan van een vermoeden van schuld aan de zijde van de Casuele, dat voor tegenbewijs vatbaar is. De zaak benadrukt de toepassing van schuld in de zin van verwijtbaarheid en gebreken binnen het aansprakelijkheidsregime van Boek 8 BW.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof mocht uitgaan van schuld van het schip in de zin van verwijtbare gedragingen of gebreken.