ECLI:NL:PHR:2001:AD3959
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontslag op staande voet wegens ongeoorloofd werkverzuim en de bewijslast van arbeidsongeschiktheid
In deze arbeidsrechtelijke zaak stond centraal of het ontslag op staande voet wegens ongeoorloofd werkverzuim rechtsgeldig was, terwijl de werknemer stelde ten tijde van het verzuim arbeidsongeschikt te zijn geweest door een psychose.
De werknemer was op 22 oktober 1990 in dienst getreden en was op 9 tot en met 11 juli 1997 zonder ziekmelding van het werk weggebleven. De werkgever had daarop op 14 juli 1997 het ontslag op staande voet gegeven wegens ongeoorloofd werkverzuim. De werknemer voerde aan dat hij toen reeds arbeidsongeschikt was, hetgeen hij met medische stukken ondersteunde.
De kantonrechter en rechtbank wezen de vordering van de werknemer af, omdat de werkgever niet op de hoogte was van de ziekte en het werkverzuim als dringende reden voor ontslag werd aangemerkt. De Hoge Raad stelde echter dat de werkgever de bewijslast draagt dat de werknemer niet arbeidsongeschikt was, zodra de werknemer gemotiveerd betwist dat het werkverzuim ongeoorloofd was.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis en verwees de zaak naar het gerechtshof voor nader onderzoek naar de vraag of de werknemer ten tijde van het werkverzuim daadwerkelijk arbeidsongeschikt was. De overige middelen werden niet behandeld omdat het eerste middel slaagde.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof voor nader onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid ten tijde van het werkverzuim.