6) Onderdeel 1 is gericht tegen r.o. 2.16 - 2.18 van het eindarrest, waarin het hof heeft aangenomen dat [eiseres], ook indien zij wel naar behoren was ingelicht over het aan beide behandelmogelijkheden verbonden risico en de onderscheiden kansen van verwezenlijking daarvan, zou hebben toegestemd in de uitvoering van het gekozen behandelplan in vier delen. Het onderdeel bevat twee klachten.
De klacht die ik, als zijnde van principieel belang, het eerst zal behandelen, betreft de bewijslast ten aanzien van het causaal verband. Deze klacht houdt in dat het hof is uitgegaan van een onjuiste opvatting over de stelplicht (en bewijslast) ten aanzien van het (ontbreken van) causaal verband tussen de tekortkoming en de ontstane schade. Gesteld wordt dat, nu het hof heeft geoordeeld dat [verweerder] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn informatieverplichting, daaruit volgt dat bedoelde stelplicht en bewijslast krachtens de zogenoemde omkeringsregel op [verweerder] rust. Deze klacht wordt naar mijn mening tevergeefs voorgesteld.
In het onderhavige geval gaat het om de vraag of de schade is aan te merken als het gevolg van de tekortkoming van de arts. De verplichting in de nakoming waarvan de arts is tekortgeschoten hield naar het (mijns inziens in cassatie tevergeefs bestreden(1)) oordeel van het hof in dat hij de patiënt vóór de eerste deelbehandeling had behoren in te lichten over het aan het gekozen behandelplan verbonden risico van dwarslaesie of een andere ruggenmergbeschadiging. Deze verplichting ziet erop het zelfbeschikkingsrecht, dat er onder meer toe strekt de patiënt in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen of hij al dan niet toestemming voor die behandeling zal geven, te effectueren. Schending van deze verplichting roept het risico in het leven dat de patiënt niet op een voor hem te wensen wijze gebruik kan maken van zijn zelfbeschikkingsrecht waardoor hij een voor hem onjuiste keuze maakt.
Causaal verband tussen een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging en de ontstane schade is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in beginsel gegeven indien door de gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt. Het is vervolgens aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken (in casu [verweerder]) om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan (zie laatstelijk HR 19 januari 2001, RvdW 2001, 34; vgl. HR 2 maart 2001, RvdW 2001, 62).
Uit HR 19 januari 2001, RvdW 2001, 34 en HR 2 maart 2001, RvdW 2001, 62 volgt voorts dat deze zogenoemde omkeringsregel slechts voor toepassing in aanmerking komt als de benadeelde aannemelijk heeft gemaakt dat door de normschending het risico van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dat dit risico zich heeft verwezenlijkt.
In het geval dat heeft geleid tot het arrest van 19 januari 2001, RvdW 2001, 34 kon causaal verband tussen het gebrekkig repareren van de oliekoeler van een motorfiets en de schade die het gevolg was van een val met deze motorfiets, niet met behulp van de omkeringsregel worden aangenomen omdat de benadeelde het door de wanprestatie in het leven roepen van het risico (het slipgevaar) noch de verwezenlijking daarvan (het slippen) voldoende aannemelijk had gemaakt. Het feit dat hij met zijn motorfiets ten val was gekomen, maakte niet voldoende aannemelijk dat door de wanprestatie een risico in het leven was geroepen dat zich bovendien had verwezenlijkt. Ten aanzien van het in het leven roepen van slipgevaar door olielekkage was namelijk betwist dat een zodanige hoeveelheid lekkende olie met het loopvlak van de achterband in aanraking was gekomen dat daardoor het risico van slipgevaar in het leven was geroepen en ten aanzien van de verwezenlijking van het risico in de vorm van slippen was betwist dat bij het ongeval inderdaad geslipt was.
In HR 2 maart 2001, RvdW 2001, 62 is causaal verband tussen het in strijd met het protocol nalaten antistollingsmiddelen toe te dienen en de postoperatief opgetreden trombose aangenomen op grond van de volgende overweging: "Nu het overtreden voorschrift diende om het risico op het postoperatief optreden van trombose tegen te gaan (althans te verkleinen), en (...) In 't Hout aanspraak op naleving van het protocolvoorschrift mocht maken, geeft het oordeel van het Hof, erop neerkomende dat - nu het risico van het ontstaan van schade in het leven is geroepen door het niet toepassen van het voorschrift standaard antistollingsmiddelen toe te dienen en nu dit risico (het optreden van trombose) zich heeft verwezenlijkt - het causaal verband tussen de verweten gedraging en de opgelopen schade in beginsel gegeven, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting." (curs. ASH)
Hieruit kan worden afgeleid dat voor het aannemelijk maken van het in het leven roepen van het risico, hetgeen op de weg van de eiser ligt, nodig en voldoende is dat hij aantoont dat de geschonden norm beoogt te beschermen tegen het in het leven geroepen en verwezenlijkte risico.(2)