ECLI:NL:PHR:2001:AD3964
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling natuurlijke verbintenis bij legaat en lijfrente aan samenwonende levensgezel
De zaak betreft een geschil tussen de kinderen uit het huwelijk van de overledene en diens samenwonende levensgezel, die bij testament het vruchtgebruik van de nalatenschap en een lijfrente had verkregen. De kernvraag was of de overledene een dringende morele verplichting had om deze voorzieningen te treffen, waardoor sprake zou zijn van een natuurlijke verbintenis die het wettelijk erfdeel van de kinderen zou kunnen benadelen.
De rechtbank en het hof hebben dit ontkennend beantwoord, waarbij het hof het criterium van artikel 6:3 lid 2 sub b BW Pro als uitgangspunt nam. De Hoge Raad bevestigt dat het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan en dat het oordeel dat geen natuurlijke verbintenis bestond, gebaseerd was op een afweging van de feiten en omstandigheden die niet onbegrijpelijk was.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en literatuur waarin is erkend dat onder bepaalde omstandigheden een natuurlijke verbintenis kan bestaan om na overlijden voor een ongehuwde levensgezel te zorgen, maar in dit geval was dat niet aannemelijk. Het beroep in cassatie wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het oordeel dat geen natuurlijke verbintenis bestond blijft gehandhaafd.