1 Naar valt aan te nemen, is dit gebeurd in verband met het thans voorliggende cassatieberoep.
2 H.E. Ras, Het tussenvonnis in het burgerlijk procesrecht, diss., nrs. 51-54 en zijn noot onder HR 30 juni 1995, NJ 1996, 103/200; Hugenholtz/Heemskerk, 1998, nr. 30; Veegens/Korthals Altes/Groen, 1989, nr. 44; A.I.M. van Mierlo, Rolrecht in Nederland, 1998, blz. 28-30; Burgerlijke Rechtsvordering, Wesseling-van Gent, Boek I, titel 3, afd. 2, aant. 5; zie voorts de conclusie van A-G Asser vóór HR 10 september 1993, NJ 1994, 507 alsmede de in noot 2 genoemde verwijzingen.
3 HR 17 februari 1995, NJ 1996, 298; zie ook de noot van Heemskerk onder HR 21 juni 1985, NJ 1986, 691. Zie voorts de in de conclusie vóór het arrest van 17 februari 1995, NJ 1996, 298 in noot 1 genoemde verwijzingen.
4 In een geval als hier aan de orde is de zaak reeds aanhangig door het uitbrengen van de dagvaarding, doch bestaat deze eerst voor de rechter na inschrijving daarvan op de rol. Pas vanaf dat moment kan de normale gedingvoering plaatshebben en kan over de ingestelde vordering worden geoordeeld (Snijders/Ynzonides/Meijer, 1997, blz. 113 en 199-120, onder verwijzing naar HR 13 juni 1947, NJ 1947, 385 en HR 18 februari 1994, NJ 1994, 606 (HER). Aan het verzuim de zaak (tijdig) in te schrijven op de rol verbindt de wet niet het verval van de rechtskracht van de (appel)dagvaarding als sanctie (HR 17 december 1982, NJ 1984, 59 (WHH).
5 HR 17 september 1993, NJ 1993, 741; HR 24 maart 2000, NJ 2000, 601 (HJS); HR 24 november 2000, RvdW 2000, 238C; HR 15 december 2000, RvdW 2001, 7; HR 12 januari 2001, RvdW 2001, 26.
6 HR 10 september 1993, NJ 1994, 507.
7 Vgl. de conclusie van A-G Langemeijer voor dit arrest, nr. 2.5.
8 Zie in dit verband de conclusie van A-G Asser voor HR 13 september 1991, NJ 1991, 767, nrs. 4.3-4.6. Zie ook HR 1 mei 1998, NJ 1998, 622.
9 Bedoeld placet bevindt zich niet bij de stukken.
10 Zie in dit verband Veegens/Korthals Altes/Groen, nr. 161; Burgerlijke Rechtsvordering, Korthals Altes, art. 419, aant. 4 alsmede de noot van H.J. Snijders onder HR 15 januari 1993, NJ 1993, 594, HR 2 april 1993, NJ 1993, 595 en HR 12 februari 1993, NJ 1993, 596.
11 Vgl. art. 35 e.v. Reglement I; zie ook Burgerlijke Rechtsvordering, Wesseling-van Gent, art. 135, aant. 1.
12 Zie noot 4.
13 Vgl. Star Busmann, Hoofdstukken van burgerlijke rechtsvordering, 1972, blz. 139.
14 HR 6 februari 1947, NJ 1947, 91 (DJV).
15 Hugenholtz/Heemskerk, a.w., blz. 65; Snijders/Wendels, Civiel appel, 1999, blz. 123; Burgerlijke Rechtsvordering, Wesseling-van Gent, art. 135, aant. 1.
16 A.w., blz. 13.
17 Van kracht sinds 1 maart 2000. Het reglement is gepubliceerd in de Staatscourant van 12 januari 2000.
18 HR 28 juni 1996, NJ 1997, 495 (HJS) en HR 4 april 1997, NJ 1998, 220.
19 HR 28 juni 1996, NJ 1997, 495 (HJS).
20 Zie omtrent dit criterium ook HR 29 april 1994, NJ 1995, 269 (HJS).
21 HR 24 mei 1957, NJ 1959, 10; Burgerlijke Rechtsvordering, Asser, art. 5, aant. 7.
22 Hoewel geschreven voor dagvaardingsexploiten gelden de art. 90-96 Rv. voor alle exploiten waarbij een partij haar wederpartij oproept voor de rechter te verschijnen (HR 25 april 1997, NJ 1997, 528).
23 Burgerlijke Rechtsvordering, Asser, art. 94, aant. 6.
24 Zie in dit verband HR 13 september 1991, NJ 1991, 767.
25 HR 29 april 1994, NJ 1994, 497; HR 15 mei 1998, NJ 1999, 672 (HJS).