ECLI:NL:PHR:2001:AD3986
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsgeldigheid en reikwijdte van ontslagvoorwaarde bij toestemming RDA
In deze zaak staat centraal of een ontslagvergunning met een te ruime wederindiensttredingsvoorwaarde door de Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening (RDA) rechtsgeldig is en welke gevolgen dit heeft voor de civielrechtelijke verhouding tussen werkgever en werknemer.
De werknemer werd ontslagen onder een voorwaarde die ruimer was dan toegestaan volgens het Delegatiebesluit 1993. De werkgever nam een nieuwe werknemer aan voordat het ontslag van de werknemer definitief was, wat leidde tot een geschil over de nietigheid van het ontslag en de doorbetaling van loon.
De rechtbank oordeelde dat de te ruime voorwaarde rechtsgeldig is voor zover deze binnen de grenzen van het Delegatiebesluit valt en dat de werkgever de voorwaarde heeft geschonden. De Hoge Raad bevestigt dat de ontslagvergunning niet onvoorwaardelijk is, maar dat de nietige voorwaarde analoog wordt geconverteerd volgens de civielrechtelijke regels van partiële nietigheid en conversie (art. 3:41 en Pro 3:42 BW).
Ook het argument dat de werkgever mocht afgaan op de letterlijke tekst van de vergunning wordt verworpen, omdat de bedoeling en strekking van de voorwaarde duidelijk waren en het handelen van de werkgever in strijd was met het doel van het voorkomen van sociaal ongerechtvaardigd ontslag.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het oordeel van de lagere rechter.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de te ruime ontslagvoorwaarde wordt analoog geconverteerd en het ontslag is nietig wegens schending van die voorwaarde.