ECLI:NL:PHR:2001:AD3990
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt matiging boetebeding en afwijzing vorderingen inzake AOW-gelden en erfpacht in echtscheidingsgeschil
De zaak betreft een geschil tussen een man en een vrouw die buiten gemeenschap van goederen gehuwd waren en waarvan de echtelijke samenwoning was beëindigd. De man vorderde onder meer de eigendom van roerende zaken op grond van een notariële akte, betaling van een boete wegens niet-nakoming van een terugkooprecht, afgifte van deze zaken, rekening en verantwoording over AOW-gelden die op de rekening van de vrouw werden bijgeschreven, en terugbetaling van erfpachtcanon.
De rechtbank wees de vorderingen van de man af, waarbij zij oordeelde dat de koopovereenkomst was ontbonden door anticipatory breach. Het hof kende de man wel het recht toe op de roerende zaken, met uitzondering van zaken die al in zijn bezit waren, maar matigde de boete van f 200.000,- tot het bedrag van de door de man geleden schade en wees de boete af wegens het ontbreken van schade. De vordering tot rekening en verantwoording en terugbetaling van erfpachtcanon werden afgewezen. De reconventionele vordering van de vrouw tot betaling van een bedrag wegens verrekening werd onder aanhouding van verdere beslissing toegelaten.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de man. Hij oordeelde dat het hof terecht het boetebeding matigde op grond van strijd met redelijkheid en billijkheid, dat het hof terecht oordeelde dat onvoldoende was gesteld dat de vrouw het feitelijke beheer over de AOW-gelden had, en dat het hof terecht de terugbetaling van de erfpachtcanon afwees omdat de canon tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding behoorde. Ook was het oordeel van het hof dat de vrouw indirect had bijgedragen aan de waarde van het erfpachtrecht niet onbegrijpelijk.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de matiging van het boetebeding en de afwijzing van de overige vorderingen van de man.