10) Onderdeel 2 is gericht tegen het criterium dat het hof in r.o. 4.3 en 7.3 e.v. heeft gehanteerd ter bepaling van de bijdrageplicht van Caribic en tegen de daaruit voortvloeiende toewijzing aan de Stichting van al haar vorderingen. Ik vat eerst de vier, ten dele samenhangende en op elkaar voortbouwende klachten samen (hierna onder a-d), schets vervolgens de achtergrond voor de beoordeling (nr. 11 en 12), en bespreek daarna de klachten (nrs. 13-15).
a) Subonderdeel 2a klaagt erover dat aan het door het Hof gehanteerde criterium ten onrechte ten grondslag gelegd zou zijn dat Caribic en de tien bewoners/gebruikers van de andere villa's (m.u.v. nr. 10) "te zamen de eigenaren zijn van het complex Town House Villa Project". Dit criterium is volgens het middel in strijd met de in r.o. 3 door het Hof overgenomen r.o. 1 van het tussenvonnis van het Gerecht. Ter ondersteuning van deze klacht heeft Caribic aangevoerd dat elke villa van het complex een zelfstandig eigendomsobject vormt en aan een afzonderlijke eigenaar toebehoort, terwijl de gemeenschappelijke gronden en villa nr. 10 noch aan Caribic, noch aan de tien anderen en evenmin aan al dezen gezamenlijk toebehoren, maar geheel en uitsluitend aan Town House N.V. Aan deze argumenten doet niet af dat Caribic en die tien anderen, ieder voor zich afzonderlijke aandelen houden in Town House N.V., aangezien aandeelhouders geen eigenaar zijn van aan "hun" vennootschap toebehorende zaken en bovendien de eigendom van zo'n villa geen deel uitmaakt van zulk aandeelhouderschap noch vice versa. Evenmin doet daaraan volgens Caribic af dat het complex qua benaming, ligging en bouwwijze een eenheid vormt, nu daaraan geen (althans geen duidelijke) rechtens relevante betekenis toekomt.
b) Subonderdeel 2b klaagt erover dat bovendien aan het oordeel van het Hof ten grondslag ligt dat de onderlinge rechtsverhouding tussen Caribic en de tien andere villa-eigenaren waar het het in stand en op orde houden van de woningen betreft, beheerst wordt door de regels van de goede trouw. Deze grondslag is naar de opvatting van Caribic ondeugdelijk. Ter ondersteuning van deze zienswijze heeft zij aangevoerd dat, voor zover zij berust op de in subonderdeel 2a bestreden grondslag ("te zamen eigenaren zijn van het complex") zij bij gegrondbevinding van die subklacht ook zelf niet in stand kan blijven als draagvlak voor 's Hofs verdere beslissingen. Daarnaast kan aan het feit dat iemand afzonderlijk eigenaar is van een juridisch zelfstandige villa die deel uitmaakt van een wegens zijn naam, ligging en bouwwijze als zodanig herkenbaar "complex", rechtens niet, althans niet zonder meer, het gevolg verbonden worden dat er tussen de betreffende eigenaren een door de goede trouw beheerste rechtsverhouding bestaat wat betreft het naar evenredigheid moeten dragen van de noodzakelijke kosten van het onderhoud van hun afzonderlijke woningen, noch ook van de aan een derde (in casu Town House N.V.) toebehorende zaken die eveneens van dat "complex" deel uitmaken. Aan deze argumenten doet naar de mening van Caribic niet af dat de villa-eigenaren tevens, ieder voor zich, afzonderlijk aandelen houden in die "derde", zulks gelet op de zelfstandigheid van het eigen vermogen van die vennootschap, op haar eigen verantwoordelijkheid voor het onderhoud ervan en op het ter zake - onverlet de niet daarop betrokken eisen van de goede trouw die tussen aandeelhouders onderling gelden - niet aansprakelijk zijn van haar aandeelhouders.
c) Subonderdeel 2c is met een rechts- en motiveringsklacht gericht tegen de overweging van het Hof waarin het naar de lezing van Caribic uitsluitend op grond van de goede trouw een gehoudenheid van Caribic heeft aangenomen die meebrengt dat zij als eigenaar van een villa in het complex en/of als aandeelhouder van Town House N.V. naar evenredigheid dient bij te dragen in de kosten gemoeid met al die voorzieningen, die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om het villa-complex naar behoren aan zijn woon- of gebruiksbestemming te laten voldoen. Ter ondersteuning van deze klacht heeft Caribic aangevoerd dat voor zover het oordeel van het Hof berust op de in de subonderdelen 2a en 2b bestreden grondslagen, het bij gegrondbevinding van die subklachten niet in stand kan blijven en derhalve niet een voldoende grondslag kan zijn voor het vonnis van het Hof. Daarnaast heeft zij erop gewezen dat afgezien van het door het Hof verworpen criterium van ongerechtvaardigde verrijking een dergelijke louter op de goede trouw gebaseerde bijdrageplicht zonder nadere motivering niet verenigbaar is met het recht.
d) Subonderdeel 2d is gericht tegen r.o. 7.3-7.6 van het eindvonnis van het Hof en klaagt erover dat het Hof onvoldoende gemotiveerd heeft overwogen dat de bedoelde voorzieningen en kosten ook jegens Caribic redelijkerwijze noodzakelijk zijn. Ter ondersteuning van deze klacht heeft Caribic aangevoerd dat zij - afgezien van de septic tank - aan geen van de door de Stichting verzorgde voorzieningen behoefte heeft om haar villa naar behoren, zonder enig (relevant) nadeel voor de (eigenaren of gebruikers van de) overige villa's te bewonen, onderhouden, beveiligen, verzekeren e.d. omdat zij daarvan geen gebruik maakt of profijt trekt resp. voor haar eigen rekening daarin reeds genoegzaam voorziet. Bovendien behoren de door de Stichting gevorderde kosten voor rekening te komen van Town House N.V. omdat zij zien op beheer, beveiliging en verzekering van de aan Town House N.V. toebehorende zaken. Voorts is niet gebleken dat Caribic ooit aanspraak heeft gemaakt op of bewust en onopgedrongen heeft geprofiteerd van bijvoorbeeld het onderhoud van de tuin en paden dan wel de (overige) werkzaamheden van de manager, en evenmin dat Caribic's eigen onderhoud en beheer ooit een veiligheids- of hygiëneprobleem voor de tien anderen heeft opgeleverd.
Met betrekking tot de kosten van de verzekering heeft Caribic aangevoerd dat het Hof in r.o. 7.5 heeft miskend dat de insurancekosten slechts betrekking hebben op de aan Town House N.V. toebehorende zaken en dat het blijkens Caribic's eigen opstalverzekering wel degelijk mogelijk is om ook voor de andere villa's een individuele verzekering te verkrijgen, waaraan niet afdoet dat een verzekering voor het gehele complex minus een villa niet verkregen zou kunnen worden. Tenslotte zou het Hof in r.o. 7.6 hebben miskend dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de hoogte van de kostenposten op de Stichting ligt en dat Caribic mocht volstaan met betwisting daarvan zolang een gespecificeerde en verifieerbare opgave ervan ontbrak.