ECLI:NL:PHR:2001:AD4008

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/005HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:157 lid 3 BWArt. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vrijheid hof bij vaststelling onderhoudsbehoefte man na echtscheiding

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de man verworpen tegen het arrest van het hof waarin de onderhoudsbijdrage werd vastgesteld. Het hof had bij de bepaling van de behoefte van de man rekening gehouden met de welstand van partijen tijdens het huwelijk, hetgeen volgens de Hoge Raad binnen de beoordelingsvrijheid van het hof valt. De man stelde dat de bijdrage afhankelijk zou moeten zijn van zijn verminderde verdiencapaciteit door de feitelijke inrichting van het huwelijk, maar dit verweer werd als een ontoelaatbaar novum in cassatie afgewezen.

Verder oordeelde het hof dat de man geslaagd was in het aantonen van zijn behoefte, rekening houdend met zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het hof verwierp de door de vrouw aangevoerde betwisting van de behoefte en wees het verzoek tot beperking van de duur van de onderhoudsbijdrage af, gelet op de arbeidsongeschiktheid van de man. Het hof handhaafde het beginsel van hoor en wederhoor door beide partijen voldoende gelegenheid te geven hun standpunten schriftelijk toe te lichten.

De Hoge Raad vond geen aanleiding tot cassatie en bevestigde daarmee het oordeel van het hof. Het beroep werd verworpen met toepassing van artikel 101a van het Wetboek van Rechtsvordering. De uitspraak bevestigt de beoordelingsvrijheid van het hof bij het vaststellen van onderhoudsverplichtingen en de toepassing van het hoor en wederhoor principe in civiele procedures.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het hofarrest over de onderhoudsbijdrage wordt bekrachtigd.

Conclusie

Rek.nr. R01/005HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 19 juni 2001
conclusie inzake
[De vrouw]
tegen
[De man]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep berust op een middel dat uit zeven onderdelen (cassatierekest onder 3.1 t/m 3.7) is opgebouwd.
2. Onderdeel 1 faalt, omdat het miskent dat het Hof de vrijheid had om de welstand van partijen tijdens het huwelijk in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de behoefte van de man. Het Hof was daarbij, anders dan het onderdeel kennelijk wil betogen, niet gehouden rekening te houden met de mate waarin partijen ieder voor zich aan die welstand hebben bijgedragen (vgl. HR 12 februari 1988, NJ 1988, 945). Onjuist is ook de door het middel verdedigde opvatting dat de toewijsbaarheid van een onderhoudsbijdrage afhankelijk is van de mate waarin de verdiencapaciteit van de behoeftige echtgenoot is verminderd door de feitelijke inrichting van het huwelijk (vgl. HR 9 februari 2000, NJ 2001, 216 nt. S.F.M. Wortmann). Voor zover het onderdeel bedoelt te stellen dat de man, gelet op de feitelijke inrichting van het huwelijk, niet ten volle deel heeft gehad aan de welstand die het gezamenlijke inkomen der echtgenoten tijdens het huwelijk doet vermoeden, zodat zijn behoefte daardoor niet is beïnvloed, berust het op een ontoelaatbaar novum in cassatie.
3. Onderdeel 2 bouwt voort op onderdeel 1 en moet het lot daarvan delen.
4. Onderdeel 3 berust op een verkeerde lezing van de eindbeschikking van het Hof. In r.o. 2.2 en 2.3 van deze beschikking ligt besloten dat het Hof de man geslaagd heeft geoordeeld in de hem bij de tussenbeschikking van 23 mei 2000 geboden gelegenheid om schriftelijk aan te tonen dat hij ook met inachtneming van zijn huidige arbeidsongeschiktheidsuitkering behoefte heeft aan een bijdrage van f 1.500,-.
5. Onderdeel 4 strandt op gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof is niet uitgegaan van de door de man gestelde behoefte van f 4.700,- per maand, maar, gezien de door het Hof in r.o. 2.2 van de eindbeschikking daarop toegepaste correcties, van een (aanzienlijk) lager bedrag.
6. Ook onderdeel 5 mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft de door het onderdeel bedoelde stellingen van de vrouw ter betwisting van de door de man gestelde behoefte in r.o. 2.3 van de tussenbeschikking van 23 mei 2000 onderzocht en verworpen. Terecht wist het Hof zich in zijn eindbeschikking (r.o. 2.4) aan deze eindbeslissing gebonden.
7. Onderdeel 6, dat zich keert tegen de verwerping door het Hof (r.o. 2.4 van de eindbeschikking) van de door de vrouw verzochte beperking in duur van de bijdrage, is tevergeefs voorgesteld. Ter motivering van zijn oordeel heeft het Hof overwogen dat onzeker is of de man binnen afzienbare tijd in staat is zodanige werkzaamheden te verrichten dat hij daarmee naast zijn WAO-uitkering geheel in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Deze motivering is niet onbegrijpelijk, nu het Hof - onbestreden in cassatie - heeft vastgesteld dat de man thans 80-100% arbeidsongeschikt is. Het oordeel van het Hof getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting, nu zonder klemmende redenen een verzoek tot limitering van de onderhoudsbijdrage op de voet van art. 1:157 lid 3 BW Pro niet kan worden toegewezen (zie o.m. HR 18 april 1997, NJ 1997, 571 nt. JdB).
8. Onderdeel 7, dat het Hof schending van het beginsel van hoor en wederhoor verwijt, is ongegrond. Het Hof heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld te reageren op de brief van de man d.d. 6 juni 2000. Van die gelegenheid heeft de vrouw gebruik gemaakt door middel van haar brief d.d. 19 juni 2000. Vervolgens heeft het Hof de man nog de gelegenheid gegeven op de door de vrouw bij haar brief d.d. 19 juni 2000 overgelegde producties te reageren. De man heeft zich bij zijn brief d.d. 10 juli 2000 daartoe ook beperkt. Het beginsel van hoor en wederhoor verplichtte het Hof niet de vrouw in de gelegenheid te stellen van haar kant nog weer te reageren op de reactie van de man of partijen in de gelegenheid te stellen nog mondeling gehoord te worden. Het middel geeft ook niet aan welke door de man aangevoerde stellingen door het Hof als juist zijn aanvaard, zonder dat de vrouw de gelegenheid heeft gehad zich daarover uit te laten. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor is geen sprake.
Aangezien de aangevoerde klachten naar mijn oordeel niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, strekt de conclusie tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 101a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,