ECLI:NL:PHR:2001:AD4008
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vrijheid hof bij vaststelling onderhoudsbehoefte man na echtscheiding
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de man verworpen tegen het arrest van het hof waarin de onderhoudsbijdrage werd vastgesteld. Het hof had bij de bepaling van de behoefte van de man rekening gehouden met de welstand van partijen tijdens het huwelijk, hetgeen volgens de Hoge Raad binnen de beoordelingsvrijheid van het hof valt. De man stelde dat de bijdrage afhankelijk zou moeten zijn van zijn verminderde verdiencapaciteit door de feitelijke inrichting van het huwelijk, maar dit verweer werd als een ontoelaatbaar novum in cassatie afgewezen.
Verder oordeelde het hof dat de man geslaagd was in het aantonen van zijn behoefte, rekening houdend met zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het hof verwierp de door de vrouw aangevoerde betwisting van de behoefte en wees het verzoek tot beperking van de duur van de onderhoudsbijdrage af, gelet op de arbeidsongeschiktheid van de man. Het hof handhaafde het beginsel van hoor en wederhoor door beide partijen voldoende gelegenheid te geven hun standpunten schriftelijk toe te lichten.
De Hoge Raad vond geen aanleiding tot cassatie en bevestigde daarmee het oordeel van het hof. Het beroep werd verworpen met toepassing van artikel 101a van het Wetboek van Rechtsvordering. De uitspraak bevestigt de beoordelingsvrijheid van het hof bij het vaststellen van onderhoudsverplichtingen en de toepassing van het hoor en wederhoor principe in civiele procedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het hofarrest over de onderhoudsbijdrage wordt bekrachtigd.