ECLI:NL:PHR:2001:AD4029
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering bijstand en toepassing dringende redenen op grond van art. 78 lid 3 Abw
In deze zaak vorderen de vrouw en de man terugvordering van bijstand door de gemeente Groningen wegens onterecht ontvangen bedragen. De gemeente heeft bedragen teruggevorderd op grond van inkomsten uit AOW-pensioen en een abusievelijk uitgekeerd bedrag. De verzoekers beriepen zich op art. 78 lid 3 Abw Pro om af te zien van terugvordering vanwege hun ernstige ziekte en het minimuminkomen waarop zij moeten rondkomen.
De kantonrechter en rechtbank wezen het beroep af, stellende dat de ziekte op zich geen dringende reden is om van terugvordering af te zien en dat de beslagvrije voet voldoende bescherming biedt. De rechtbank voerde een marginale toetsing uit en vond geen noodsituatie of causaal verband tussen terugvordering en verergering van ziekte.
De Hoge Raad bevestigt dat de bevoegdheid van burgemeester en wethouders om van terugvordering af te zien op grond van dringende redenen een individuele belangenafweging vereist. De term 'dringende redenen' impliceert iets bijzonders en uitzonderlijks, maar vereist niet per se een levensbedreigende of psychische noodsituatie. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat enkel ziekte en minimuminkomen onvoldoende zijn om van terugvordering af te zien.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de eerdere beslissingen. De bescherming van de beslagvrije voet blijft een belangrijk instrument bij de tenuitvoerlegging van terugvorderingsbesluiten. De zaak benadrukt dat niet-financiële omstandigheden meegewogen kunnen worden, maar dat dit niet betekent dat elke ziekte automatisch een dringende reden oplevert.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de terugvordering van bijstand blijft in stand.