ECLI:NL:PHR:2001:AD4298

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01122/01 U
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 UitleveringswetArt. 6 EVRMArt. 12 Europees UitleveringsverdragArt. 11 Europees Uitleveringsverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toelaatbaarheid uitlevering ondanks verstekvonnis in eerste aanleg

De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon aan Italië ter vervolging wegens deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank Maastricht verklaarde de uitlevering toelaatbaar, ondanks dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg bij verstek was veroordeeld. De verdediging voerde aan dat uitlevering ontoelaatbaar is omdat de opgeëiste persoon onvoldoende gelegenheid tot verdediging had gehad in eerste aanleg.

De Hoge Raad overweegt dat artikel 5 lid 3 van Pro de Uitleveringswet uitlevering na verstekvonnis slechts toestaat indien de opgeëiste persoon voldoende gelegenheid heeft gehad zijn verdediging te voeren. In dit geval is het hoger beroep nog niet behandeld, waardoor het verstekvonnis niet definitief is. De aanwezigheid van een advocaat in eerste aanleg betekent niet automatisch dat aan het vereiste is voldaan, maar het feit dat het hoger beroep nog moet plaatsvinden maakt uitlevering mogelijk.

De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover daarin artikel 11 van Pro het Europees Uitleveringsverdrag werd toegepast en verklaart in plaats daarvan artikel 12 van Pro het verdrag van toepassing. Het cassatiemiddel wordt verworpen en de uitlevering blijft toelaatbaar.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en bevestigt de toelaatbaarheid van de uitlevering ter vervolging.

Conclusie

Nr. 01122/01 U
Mr Machielse
Zitting: 11 september 2001
Conclusie inzake:
[Verzoeker=de opgeëiste persoon]
1. Bij uitspraak van 9 mei 2001 heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht de uitlevering aan de Republiek Italië van verzoeker ter fine van vervolging toelaatbaar verklaard terzake van het feit omschreven in het arrestatiebevel van de rechter belast met het inleidend onderzoek, Dr. Antonio Ferrari, in de Rechtbank van Catania, van 17 maart 1997. Het feit betreft - kort gezegd - het deelnemen aan een criminele organisatie.
2. Namens verzoeker heeft mr. Th. Boumans, advocaat te Heerlen, één middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het middel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het ter zitting gevoerde verweer dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard.
3.2. De uitspraak houdt ten aanzien van een op de zitting van 25 april 2001 door de raadsman van de opgeëiste persoon gevoerd verweer het volgende in:
"Namens [de opgeëiste persoon] heeft zijn raadsman het verweer gevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar verklaard dient te worden. Hij heeft daartoe aangevoerd - zakelijk weergegeven:
In de aanvullende informatie uit Italië, en wel de verklaring van 2 februari 2001, staat vermeld:
"Voornoemde beschuldigde werd veroordeeld in de eerste graad voor feiten die aanhangig gemaakt werden in het bevel tot in verzekerde bewaring stelling waarvoor over gegaan werd tot het verzoek tot uitlevering (lid maffia art. 416 bis Pro S.w.B;)
Beschuldigde werd bij verstek veroordeeld
Beschuldigde werd gedurende de rechtzaak in eerste graad bijgestaan door zijn eigen vertrouwensman adv. Franco Bonura van het Hof van Catania en dezelfde verdediger zal hem bijstaan gedurende de komende rechtzaak van appel, zodat weerhouden moet worden dat [de opgeëiste persoon] helemaal verzekerd is van het recht op verdediging zowel in de rechtzaak in eerste graad als wel van deze in appel".
In artikel 5. Lid 3, van de Uitleveringswet staat vermeld:
"Indien, in het geval bedoeld in het eerste lid, onder b, de veroordeling tot vrijheidsstraf bij verstek heeft plaatsgevonden, kan de uitlevering slechts worden toegestaan, indien de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest of alsnog zal worden gesteld om zijn verdediging te voeren."
Dit moet leiden tot de conclusie dat hem in eerste aanleg in Italië een raadsman terzijde heeft gestaan en dat er geen stuk is aangetroffen waaruit blijkt dat hij in eerste aanleg is gedagvaard.
Het enkele feit dat er in eerste aanleg een advocaat namens hem is opgetreden, betekent nog niet dat is voldaan aan het in het zojuist genoemde wetsartikel gestelde.
Het zelf in appel verschijnen en bijgestaan worden door een raadsman is in dezen irrelevant.
De rechtbank verwerpt het verweer, nu in de door de raadsman geciteerde verklaring van 2 februari 2001 met zoveel woorden staat dat de opgeëiste persoon in eerste instantie is vertegenwoordigd door zijn eigen vertrouwensman advocaat Franco Bonura en dat deze hem ook bij de behandeling in hoger beroep zal bijstaan, zodat voldaan wordt aan het geen in artikel 5, derde lid, van de Uitleveringswet hieromtrent is vereist."
3.3. De in cassatie geuite klacht luidt gelijk aan het in eerste aanleg gevoerde verweer: uitlevering is ontoelaatbaar nu de opgeëiste persoon bij verstek is veroordeeld.
3.4. Het in het derde lid van artikel 5 Uitleveringswet Pro vervatte verbod op uitlevering naar aanleiding van een veroordeling bij verstek, verwijst uitdrukkelijk naar het eerste lid van artikel 5, onder b en ziet derhalve uitsluitend op zaken waarin sprake is van een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een opgelegde vrijheidsstraf. Het artikel is in de Uitleveringswet opgenomen teneinde het voorbehoud dat Nederland heeft gemaakt bij artikel 1 van Pro het Europees Uitleveringsverdrag te effectueren.(1) Dit voorbehoud luidt als volgt:
"The Netherlands Government reserves the right not to grant extradition requested for the purpose of executing a judgment pronounced by default against which no remedy remains open, if such extradition might have the effect of subjecting the person claimed to a penalty without his having been enabled to exercise the rights of defence prescribed ìn Article 6(3)(c) of the Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms signed at Rome on 4 November 1950".
3.5. In het geval sprake is van een bij verstek gewezen vonnis waartegen geen rechtsmiddelen meer openstaan en waarin de opgeëiste persoon in onvoldoende mate in de gelegenheid is geweest om zijn verdediging te voeren, zal uitlevering dus niet kunnen worden toegestaan.
In het onderhavige geval heeft het verzoek van de Italiaanse autoriteiten betrekking op een uitlevering ter fine van vervolging. Uit de overgelegde stukken kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg is berecht, maar dat het ingestelde hoger beroep nog moet worden behandeld.
3.6. Uit het voorgaande volgt dat het gevoerde verweer niet kon slagen, wat er zij van hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Het oordeel van de rechtbank dat de uitlevering toelaatbaar is getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het tegen dat oordeel gerichte middel niet tot cassatie kan leiden.
3.7. Het middel faalt dus.
4. Ambtshalve vestig ik de aandacht op het volgende. Onder de toepasselijke artikelen heeft de rechtbank in de bestreden uitspraak vermeld dat artikel 11 van Pro het Europees Uitleveringsverdrag van toepassing is. Bedoeld moet zijn artikel 12 van Pro het Verdrag. Uw Raad zal de bestreden uitspraak in dier voege kunnen verbeteren.(2) Voorts merk ik op dat de ongespecificeerde verwijzing naar de Schengen Uitvoeringsovereenkomst door Uw Raad kan worden geschrapt.(3)
5. Deze conclusie strekt ertoe dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend voor zover daarin artikel 11 van Pro het Europees Uitleveringsverdrag van toepassing is verklaard en de Schengen Uitvoeringsovereenkomst is aangehaald, dat Uw Raad artikel 12 van Pro het Europees Uitleveringsverdrag van toepassing zal verklaren, en het beroep zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1 Zie Swart, Nederlands uitleveringsrecht, nr. 278.
2 Vgl. HR 6 maart 2001, griffienr. 2986/00 U, rov. 5.3-5.4.
3 HR NJ 1999,539.