ECLI:NL:PHR:2001:AD4305

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01544/99
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld voor medeplegen van een overtreding van de Opiumwet en gekwalificeerde diefstal, waarbij een straf van onbetaalde arbeid en een geldboete werd opgelegd.

Verdachte stelde cassatieberoep in, maar er werden geen cassatiemiddelen ingediend. De zaak werd voor het eerst behandeld door de Hoge Raad na meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal merkt op dat deze termijnoverschrijding niet door bijzondere omstandigheden is gerechtvaardigd en dat dit een schending van het recht op een redelijke termijn inhoudt zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.

Daarom adviseert hij de Hoge Raad om het vonnis te vernietigen voor wat betreft de strafoplegging, zelf de straf te verminderen en het beroep voor het overige te verwerpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het beroep voor het overige.

Conclusie

Nr. 01544/99
Mr Fokkens
Zitting: 4 september 2001
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod en een gekwalificeerde diefstal, veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 180 uren, in plaats van vier maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk, twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van f 10.000,-- subsidiair 100 dagen hechtenis. Als bijzondere voorwaarde is gesteld betaling van schadevergoeding aan de benadeelde.
2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen. Door of namens hem zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.
3. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende.
4. Namens verdachte, die niet in voorlopige hechtenis verkeert, is op 24 februari 1999 beroep in cassatie ingesteld.
De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 26 juni 2001 voor de eerste keer behandeld, hetgeen ertoe zal leiden dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
In aanmerking genomen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die dat tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM (zie ook HR 23 januari 2001, nummer 00730/99 alsmede HR 8 mei 2001, nummer 00786/99).
Na afweging van de in het geding zijnde belangen dient dat tot strafvermindering te leiden.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, zelf de straf zal verminderen, en het beroep voor het overige zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden