ECLI:NL:PHR:2001:AD4307
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van tweede vordering tot inbewaringstelling en niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie
In deze zaak heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat de officier van justitie voor de tweede maal een vordering tot inbewaringstelling heeft gedaan, terwijl de eerste vordering was afgewezen en het dossier niet wezenlijk was gewijzigd. Het hof heeft overwogen dat het doen van een tweede vordering tot inbewaringstelling niet verboden is, zeker wanneer er aanvullend bewijs is verzameld.
Het hof oordeelde dat de tweede vordering tot inbewaringstelling niet ter toetsing aan het hof staat, tenzij sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het enkele feit van een tweede vordering leidt niet tot schending van deze beginselen. De handelwijze van het openbaar ministerie was niet zodanig dat er ernstige inbreuken zijn gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatiemiddel af. Tevens wordt opgemerkt dat artikel 67b Sv niet in de weg staat aan een tweede vordering tot bewaring. De conclusie is dat het beroep niet-ontvankelijkheid faalt en dat er geen reden is voor ambtshalve vernietiging van het bestreden arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat het openbaar ministerie ontvankelijk bleef ondanks de tweede vordering tot inbewaringstelling.