ECLI:NL:PHR:2001:AD4497
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring verzoeker wegens ontbreken verplichte procureurstelling bij rechtsweigering
Verzoeker heeft zich tot de Hoge Raad gewend met twee verzoekschriften, waarvan het eerste een beroep op overmacht en verzoek tot toestemming om zelfstandig in rechte te staan betreft, en het tweede een rechtsvordering wegens vermeende rechtsweigering door de Hoge Raad. Beide verzoekschriften waren niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, hetgeen volgens de wet een vereiste is.
De Hoge Raad overweegt dat de wet geen uitzondering toestaat op de hoofdregel van verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad, ook niet in het kader van een procedure wegens rechtsweigering. Verzoeker beroept zich op internationale verdragsbepalingen (artikel 6 EVRM Pro en 14 IVBPR), maar deze rechtvaardigen geen afwijking van de wettelijke vereisten.
Daarom verklaart de Hoge Raad verzoeker niet-ontvankelijk in beide verzoeken. Tevens merkt de Hoge Raad op dat het verzoek tot schadevergoeding wegens vermeende rechtsweigering geen kans van slagen heeft, aangezien de Hoge Raad geen recht heeft geweigerd maar slechts een voor verzoeker onwelgevallige beschikking heeft gegeven.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van verplichte procureurstelling en het ontbreken van een wettelijke grondslag voor uitzondering hierop.