ECLI:NL:PHR:2001:AD4504
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsverwerking bij concurrentiebeding na ontbindingsvergoeding
Eiser trad in 1979 in dienst bij een landbouwkundig bedrijf en ondertekende in 1980 een concurrentiebeding dat hem vijf jaar na beëindiging van het dienstverband verbood soortgelijke werkzaamheden te verrichten. Na diverse bedrijfswijzigingen en overnames werd het bedrijf uiteindelijk verweerster. In 1997 vroeg eiser ontbinding van de arbeidsovereenkomst en ontving een vergoeding waarbij rekening werd gehouden met het concurrentiebeding. Vervolgens stelde eiser zich op het standpunt dat het beding niet van toepassing was.
De kantonrechter weigerde de niet-toepasselijkheid van het beding te erkennen, mede omdat eiser de vergoeding had geaccepteerd. De rechtbank beperkte het beding in duur en geografische omvang, maar ontzegde eiser het beroep op niet-toepasselijkheid wegens rechtsverwerking. Eiser stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad bevestigt dat het beroep op niet-toepasselijkheid van het concurrentiebeding in deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat eiser zich reeds voor de nadelige effecten van het beding had laten compenseren. De Hoge Raad vernietigt echter het vonnis wegens onvoldoende motivering van de rechtbank over de rechtsverwerking en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug voor nadere motivering over de rechtsverwerking bij het concurrentiebeding.