ECLI:NL:PHR:2001:AD4509

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03505/00
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor bedreiging en diefstal hout ondanks verweer mede-eigendom en redelijke termijn

De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens bedreiging met geweld en diefstal van hout, en kreeg een geldboete opgelegd. In hoger beroep stelde de raadsman dat het hout mede-eigendom van verdachte was en niet was weggenomen maar ter afvoer aan de straat was gezet. Het hof verwierp dit verweer omdat verdachte dit niet aannemelijk had gemaakt en getuigenverklaringen het tegendeel bewezen.

De verdediging voerde ook aan dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden. Het hof oordeelde echter dat de procedure binnen 24 maanden was afgerond en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die tot een ander oordeel zouden leiden. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd.

Verder werd het middel verworpen dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de verklaring van een getuige als bewijs werd gebruikt. De Hoge Raad stelde dat de rechter niet verplicht is zijn bewijsmateriaal uitgebreid te motiveren en dat het hof de verklaring terecht als betrouwbaar beschouwde.

De Hoge Raad concludeerde dat de veroordeling terecht is en dat de cassatiemiddelen falen. De opgelegde geldboete blijft in stand en de procedure is binnen een redelijke termijn behandeld.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte wegens bedreiging en diefstal en verwerpt de cassatiegronden.

Conclusie

Mr. Fokkens
Nr. 03505/00
Zitting 2 oktober 2001
Conclusie inzake
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens het bedreigen met geweld en diefstal veroordeeld tot een geldboete van duizend gulden waarvan vijfhonderd gulden voorwaardelijk.
2. Namens verdachte heeft mr. M.R.H. Meijer, advocaat te Haarlem, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof nader had moeten motiveren waarom de verklaring van getuige [betrokkene B] voor het bewijs mocht worden gebezigd. In de toelichting wordt daartoe aangevoerd dat de zinsnede "Ik denk dat ik het destijds bij de politie allemaal nog wel goed wist" in getuiges ter terechtzitting afgelegde verklaring, de verklaring voor het bewijs diskwalificeert.
4. Het middel faalt. De rechter behoeft in het algemeen geen verantwoording af te leggen van zijn selectie en waardering van het bewijsmateriaal. Dat het Hof in de in het middel genoemde passage geen reden zag aan de juistheid van de tot het bewijs gebezigde delen van de verklaring van deze getuige te twijfelen, is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. De getuige heeft immers ook verklaard dat zij zich nog goed herinnert wat er destijds is gebeurd, zodat het voor de hand ligt de mededeling dat zij het bij de politie allemaal nog wel goed wist, te betrekken bij hetgeen zij direct daaraan voorafgaand verklaarde, te weten: "Ik weet nu niet meer of hij ook nog met zijn andere hand of vuist geslagen heeft". Het hof behoefde het gebruik van de verklaring van [betrokkene B] als bewijsmiddel dan ook niet nader te motiveren.
5. Het tweede middel keert zich tegen de bewezenverklaring van de onder 2 tenlastegelegde diefstal van hout.
6. In het bestreden arrest heeft het Hof overwogen:
"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde gesteld dat het betreffende hout:
a) (mede) eigendom van verdachte was,
b) was opgeslagen op het terrein van verdachte en
c) niet is weggenomen, maar aan de straat gezet om het te laten afvoeren.
Voorzover het niet door de bewijsmiddelen wordt weerlegd, overweegt het hof met betrekking tot dit verweer dat de raadsman enkel heeft gesteld dat het hout (mede)eigendom van verdachte was en dat het was opgeslagen op het terrein van verdachte, doch dat hij een en ander overigens op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt. Het verweer wordt mitsdien verworpen."
7. Het betoog in de toelichting op het middel komt erop neer dat de overweging van het Hof dat verdachte zijn stellingen op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt, onbegrijpelijk is.
8. De eerste klacht betreft de kwestie van de mede-eigendom van het hout. Het Hof heeft voor het bewijs gebezigd de verklaring van getuige [betrokkene A] waarin hij verklaart dat het hout hem in eigendom toebehoorde. Daarmee is het verweer dat het hout ten dele aan verdachte toebehoorde verworpen. De overweging van het Hof dat de enkele stelling dat de bomen waarvan een deel van het hout afkomstig was, vermoedelijk op de erfscheiding hebben gestaan en dat daarom het hout ten dele aan verdachte toebehoorde, bij gebreke aan enige onderbouwing wordt verworpen, versta ik aldus dat het Hof hiermee aangeeft dat die enkele stelling onvoldoende is om de juistheid van verklaring van [betrokkene A] dat het hout hem toebehoorde, in twijfel te trekken. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. In de onderbouwing van het verweer is immers op geen enkele wijze concreet aangegeven waar de bomen volgens de verdachte zouden hebben gestaan. Dit gevoegd bij de omstandigheid dat [betrokkene A] zich vrij achtte de bomen te vervangen door een coniferenhaag en dat in hetgeen overigens is aangevoerd op geen enkele wijze naar voren komt, dat verdachte ooit van mening zou zijn geweest dat het hout hem ten dele toebehoorde, maakt dat het oordeel van het Hof, zoals gezegd, niet onbegrijpelijk is. Ik voeg daar nog aan toe, dat ook als het hout ten dele aan verdachte zou hebben toebehoord, er sprake zou zijn geweest van diefstal.
9. De klacht dat het hout op het terrein van verdachte lag, voor zover al relevant, wordt in de bewijsvoering weerlegd door de verklaring van [betrokkene A] dat het hout uit zijn tuin is weggenomen.
Het middel faalt.
10. Het derde middel houdt in dat het Hof het verweer dat de redelijke termijn is overschreden, heeft verworpen op ontoereikende gronden.
11. Het Hof heeft overwogen:
"Op 30 september 1998 is de verdachte in verband met de onderhavige zaak voor het eerst als zodanig door de politie gehoord. De politierechter in de arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft de verdachte op 9 december 1998 veroordeeld. Tegen dit vonnis is op dezelfde dag namens de verdachte hoger beroep ingesteld. De verdachte is op 8 maart 2000 in persoon gedagvaard om op 18 mei 2000 ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 18 mei 2000 en het is op 24 juli 2000 opnieuw aangevangen, gehouden en gesloten en het hof wijst heden, 31 juli 2000, arrest.
Het hof is -gelet op de hierboven beschreven gang van zaken sedert 30 september 1998, waarin ook begrepen de weliswaar onwenselijk lange periode (van 15 maanden) tussen het instellen van het hoger beroep en de dag waarop verdachte is gedagvaard om ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen- van oordeel dat niet met recht kan worden gezegd dat de behandeling van deze zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in de door de verdediging aangehaalde verdragsbepaling. Bijzondere omstandigheden, die tot een ander oordeel zouden hebben kunnen of moeten leiden, zijn niet aannemelijk geworden. Het verweer wordt mitsdien verworpen."
12. De Hoge Raad heeft bij arrest van 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 de uitgangspunten bepaald die bij de beoordeling van een beroep op overschrijding van de redelijke termijn in acht moeten worden genomen. Daarvan uitgaande getuigt het oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk, gelet op de omstandigheid dat de procedure in hoger beroep heeft plaatsgevonden binnen een termijn van vierentwintig maanden. Het oordeel van het Hof kan verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie verder niet worden getoetst.
Het middel faalt.
De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering. Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep wordt verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,