1 Vastgesteld in de openbare vergadering van het voorlopig algemeen bestuur van het Waterschap van 2 maart 1995 en goedgekeurd door gedeputeerde staten van de provincie Drente op 11 april 1995 en door gedeputeerde staten van de provincie Groningen op 18 april 1995.
2 Vgl. ook HR 1 november 2000, nr. 34.387.
3 Geen van beide Besluiten bevindt zich bij de processtukken. Op het spoor gezet door de vermelding van "het besluit van Provinciale Staten van Groningen tot vaststelling van een bijzonder reglement voor het waterschap Hunsingo en Westerkwartier van 23 augustus 1988, nr. 10.4.64" in het beroepschrift in cassatie (zie ook bovenaan blz. 3 van het aanvullend beroepschrift voor het Hof), heb ik dat besluit laten opvragen bij de secretaris van het Waterschap, die de Hoge Raad voormelde Besluiten deed toekomen. Ik ga derhalve ervan uit dat die Besluiten inderdaad de toegroeiregeling bevatten waar het in deze zaak om gaat. Voor de goede orde wijs ik erop dat de voordracht tot het vaststellen van deze Besluiten door Gedeputeerde Staten van Groningen is gedaan op 23 augustus 1988, waarna de Besluiten door Provinciale Staten van Groningen op 5 oktober 1988 zijn vastgesteld.
4 Nu belanghebbendes onroerende zaken te Q zijn gelegen, zal het zijn gegaan om de omslag van het waterschap Westerkwartier.
5 Zie de bijlagen A en D bij het vertoogschrift voor het Hof.
6 Wet van 6 juni 1991, Stb. 379, houdende regels met betrekking tot de waterschappen, in werking getreden op 1 januari 1992.
7 NJ 1983, 415.
8 NJ 1979, 533.
9 Mijn noot: bedoeld zijn de arresten HR 12 april 1978, NJ 1979, 533, en HR 15 juli 1988, RvdW 133; de parallelzaak van dit laatste arrest is gepubliceerd in NJ 1989, 714.
10 Zie ook rov. 6 van Rechtbank 's-Gravenhage 19 juli 1995, te kennen uit HR 17 januari 1997, NJ 1997, 434, m. nt. JdB, en de onderdelen 5.6 tot en met 5.21 van de conclusie van 3 augustus 2000 van de A-G Van Kalmthout in de zaak 35.425, V-N 2000/39.11, blz. 3544-3547.
11 Wet van 10 november 1900, Stb. 176, zoals gewijzigd bij Wet van 19 juli 1962, Stb. 313.
12 B. de Goede, J.H.M. Kienhuis, H. van der Linden en J.G. Steenbeek, (redactie), Het waterschap, recht en werking, Deventer, 1982, blz. 119.
13 Volgens De Goede c.s., t.a.p., blz. 118, is het vermogen van het waterschap als openbaar lichaam in beginsel uit belastinggelden gevormd, met andere woorden: het behoort tot de publieke middelen en dient deswege in de publieke sfeer te blijven aangewend.
14 Bij de Beschikking van de Minister van Justitie van 2 september 1991, Stb. 444, is de doorlopende nummering van de tekst van de Waterschapswet in het Staatsblad geplaatst. Art. 6.3 is daarbij vernummerd tot art. 167.
15 Zie Kamerstukken II 1986/87, 19 995, nr. 3, blz. 104.
16 Zie t.a.p., blz. 13-14.
17 De cursivering is door mij aangebracht; aanstonds zal blijken waarom.
18 Noot 79: Zie hierover E.I. van den Bos-Boomsma, H.J.M. Havekes en W.G.M. Heldens, Het Waterschap 1994, p. 20.
19 Volgens noot 1 bij het artikel zijn deze notities bij brief van het dagelijks bestuur van de Unie van Waterschappen d.d. 21 juli 1993, kenmerk U 7658 AJBZ/ES aan de leden-waterschappen toegezonden. Ik ga ervan uit dat het hier gaat om de rondzendbrieven van 21 juli 1993 inzake onderscheidenlijk fiscale aspecten van het overgangsrecht Waterschapswet en reorganisatie en invoering belastingbepalingen Waterschapswet, die zijn opgenomen in de Vakstudie Lokale belastingen en milieuheffingen, Waterschapswet, Bijlagen, III. Rondzendbrieven Unie van Waterschappen, onder de nrs. 11 en 12. Laatstbedoelde rondzendbrief is ook opgenomen in Belastingblad 1993, blz. 595-598.
20 Noot 6: De leden-waterschappen zijn over de uitkomst van deze discussie geïnformeerd bij brief van 5 (bedoeld zal zijn: 4, jwi) januari 1994, kenmerk U 8570 AJBZ/EK.
21 Kamerstukken II 1991/92, 22 347, nr. 4, blz. 5.
22 Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 27 augustus 1998, AB 1998, 389, m. nt. AvH, zag de (primaire) weigering om geen compensatieregeling te treffen, mede gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, als de weigering om een besluit van algemene strekking te nemen tot het verlenen van bestuurscompensatie aan die eigenaren van onroerend goed in het voormalige ruilverkavelingsgebied, die als gevolg van het algemeen geldende omslagstelsel binnen het waterschap mogelijk een onevenredig nadeel blijven lijden. Een zodanig besluit kan worden genomen op grond van de bevoegdheid, die het bestuur van het waterschap binnen het kader van de doelstelling van het waterschap heeft, en is publiekrechtelijk van aard. Uit art. 6:2, aanhef en onder a, Awb volgt dat een schriftelijke weigering om een zodanig besluit van algemene strekking te nemen, vatbaar is voor bezwaar en beroep.
23 Zie HR 27 juli 1999, BNB 1999/391, na conclusie A-G Moltmaker en m. nt. W.J.N.M. Snoijink, rov. 3.4.