ECLI:NL:PHR:2001:AD4913
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsovereenkomst en loonvordering bij opeenvolgende tijdelijke projecten
De zaak betreft een werknemer die tussen 1996 en 1997 meerdere tijdelijke arbeidsovereenkomsten had bij PLANpraktijk Dynamic Assistance B.V., waarbij hij juridische werkzaamheden verrichtte bij verschillende gemeenten. De arbeidsovereenkomsten betroffen telkens afzonderlijke projecten, maar de Hoge Raad oordeelt dat deze reeks als een voortgezette arbeidsovereenkomst moet worden beschouwd.
De werknemer vorderde loonbetaling over de periode 1 september tot 1 november 1997 en over dagen waarop hij niet kon werken vanwege gesloten gemeentekantoren. De lagere rechtbanken stelden de loonvordering deels toe en deels af, waarna de Hoge Raad het cassatieberoep van de werkgever verwierp en het incidentele cassatieberoep van de werknemer toewijst.
De Hoge Raad bevestigt dat artikel 7:628 BW Pro van toepassing is, ook al eindigde het laatste project op 1 september 1997, omdat sprake is van voortgezette arbeidsovereenkomst. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden door een niet door partijen gestelde feitelijke conclusie te verbinden aan het urenoverzicht, en dat de motivering van de rechtbank onvoldoende was met betrekking tot de compensatie van niet-gewerkte dagen.
De zaak benadrukt het beschermende karakter van het arbeidsrecht ten aanzien van opeenvolgende tijdelijke contracten en de verplichting van de werkgever tot loonbetaling bij niet-gewerkte uren die voor zijn risico komen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van PLANpraktijk wordt verworpen, het incidentele cassatieberoep van de werknemer toegewezen en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.