ECLI:NL:PHR:2001:AD4930
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over alimentatie en verdiencapaciteit na echtscheiding
In deze zaak stond de vaststelling van de alimentatie na echtscheiding centraal. De vrouw vorderde een alimentatiebedrag van ƒ 10.000,- per maand, terwijl de man betwistte dat hij die draagkracht had. De rechtbank stelde de alimentatie vast op ƒ 6.600,- en het hof verlaagde dit tot ƒ 5.000,-, mede omdat het hof aannam dat de vrouw enige verdiencapaciteit had.
Het hof baseerde dit oordeel op nieuwe stellingen van de man tijdens de mondelinge behandeling, waarin hij de behoefte van de vrouw betwistte op grond van haar verdiencapaciteit. De vrouw had echter geen gelegenheid gekregen om hier adequaat op te reageren, wat in strijd is met het procesrechtelijke beginsel van hoor en wederhoor.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd had overschreden door nieuwe gronden te betrekken zonder de vrouw voldoende gelegenheid te geven zich te verweren. Daarnaast stelde de Hoge Raad dat het oordeel over verdiencapaciteit niet leidt tot een definitieve beëindiging van het recht op alimentatie, zodat geen verzwaarde motivering vereist is.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor een nieuwe beoordeling waarbij de vrouw haar verweer kan voeren tegen de nieuwe stellingen over haar verdiencapaciteit.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest vanwege schending van hoor en wederhoor en onvoldoende motivering en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling.