ECLI:NL:PHR:2001:AD4941
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voorlopige machtiging opname psychiatrisch ziekenhuis bij gebrek aan bereidheid vrijwillig verblijf voort te zetten
De officier van justitie vorderde een voorlopige machtiging voor opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank verleende deze machtiging voor zes maanden na een zitting waarbij betrokkene, haar advocaat, de behandelend arts en een verpleegkundige werden gehoord. Betrokkene verbleef sinds 1995 vrijwillig in het ziekenhuis, maar de rechtbank oordeelde dat zij niet de nodige bereidheid toonde om het verblijf vrijwillig voort te zetten.
Betrokkene stelde in cassatie dat dit oordeel onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat het langdurig vrijwillig verblijf op zichzelf niet betekent dat betrokkene het verblijf wil voortzetten. De geneeskundige verklaring en het begeleidingsplan gaven aan dat betrokkene geen bereidheid toonde en dat haar gedrag agressie bij anderen opriep, waardoor opname noodzakelijk werd geacht.
Hoewel betrokkene ambivalente uitlatingen deed over haar verblijf, gaf zij geen duidelijke bereidverklaring tot voortzetting van het vrijwillig verblijf. Het cassatiemiddel faalde daarom. Nieuwe klachten die na de cassatietermijn werden ingediend, werden niet in behandeling genomen omdat deze niet afhankelijk waren van het proces-verbaal dat later werd ontvangen.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de voorlopige machtiging tot opname en verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorlopige machtiging tot opname in het psychiatrisch ziekenhuis blijft van kracht.