ECLI:NL:PHR:2001:AD5231

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00384/01 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt behoud beslag op horloge wegens onvoldoende eigendomsaantoon door klager

De rechtbank te 's-Hertogenbosch verklaarde het klaagschrift van klager tegen de inbeslagname van een duur horloge ongegrond. Klager stelde dat het horloge aan hem toebehoorde en niet aan zijn broer, onder wie het beslag was gelegd. De rechtbank oordeelde dat het vermoeden dat verdachte eigenaar was niet was weerlegd, mede omdat de door klager overgelegde commissiebon geantedateerd en dus niet betrouwbaar was.

Klager stelde dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom het beslag niet op het eerste gezicht kon worden opgeheven. De officier van Justitie voerde aan dat het horloge aan verdachte toebehoorde en dat het belang van de strafvordering, met name de bewaring van het recht tot verhaal, zich tegen opheffing van het beslag verzette.

De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en haar oordeel niet onbegrijpelijk was. Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op het horloge blijft gehandhaafd.

Conclusie

Mr Jörg
Nr.00384/01 B
Parket, 9 oktober 2001
Conclusie inzake:
[klager]
1. De rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 21 december 2000 het klaagschrift van verzoeker tegen inbeslagname van een duur horloge ongegrond verklaard.
2. Klager is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal conform de wettelijke eis van art. 552a, vijfde lid, Sv in het openbaar gehoord; een dergelijk verhoor behoort volgens ditzelfde artikel in raadkamer en niet ter terechtzitting te geschieden. Ik neem aan dat de vermelding in het proces-verbaal dat het verhoor ter terechtzitting plaats vond, een misslag is.
3. Namens verzoeker heeft mr Van Laake, advocaat te Mill, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat de rechtbank het klaagschrift ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Het horloge zou aan verzoeker en niet aan zijn broer, [verdachte], toebehoren, onder wie het horloge in beslag was genomen. De rechtbank had derhalve dienen te motiveren waarom afgifte aan verzoeker niet op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is.
5. De officier van Justitie heeft zich tegen teruggave verzet, stellende dat het horloge niet aan klager, maar aan verdachte [verdachte] toebehoort; hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de door klager overgelegde commissiebon geantedateerd was, hetgeen onweersproken is gebleven.
6. De rechtbank heeft als volgt overwogen:
"Het vermoeden dat verdachte ([verdachte], NJ) als drager van het horloge de eigenaar is, is niet door overlegging van een geantedateerde commissiebon op naam van klager weerlegd. Klager heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de reden dat verdachte ([verdachte], NJ) het horloge in zijn bezit had; enerzijds heeft klager aangevoerd dat verdachte ([verdachte], NJ) een koper wist voor het horloge en anderzijds zou verdachte ([verdachte], NJ) het horloge gewoon hebben mogen lenen omdat hij het mooi vond.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast, dat het belang van strafvordering, met name de bewaring van het recht tot verhaal voor een eventueel aan verdachte [verdachte] op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, zich voorshands verzet tegen opheffing van het beslag."
7. Het oordeel van de rechtbank dat niet is weerlegd het vermoeden dat niet klager maar verdachte [verdachte] eigenaar van het horloge is, en dat gelet hierop het belang van strafvordering, met name de bewaring van het recht tot verhaal, zich voorshands verzet tegen opheffing van het beslag, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk in het licht van wat de rechtbank daartoe overwoog (cf HR 9 januari 1996, NJ 1998, 591 m.nt. Sch, r.o. 7.2). Het middel faalt.
8. Ambtshalve heb ik geen gronden tot vernietiging van de bestreden beslissing aanwezig gevonden.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG