ECLI:NL:PHR:2001:AD5268
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens te late indiening na schorsing zaak
Verzoeker werd door de politierechter veroordeeld tot een geldboete en voorwaardelijke hechtenis. De zaak was na een zitting in juni 1998 voor onbepaalde tijd aangehouden. Op 7 oktober 1998 vond alsnog een terechtzitting plaats, waarvan verzoeker en zijn raadsman op de hoogte waren. Hoger beroep moest binnen 14 dagen na deze zitting worden ingesteld, maar werd pas op 22 januari 1999 ingediend. Het gerechtshof verklaarde verzoeker daarom niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad bevestigt dat het aanhoudingsverzoek van de raadsman niet automatisch betekende dat de zaak niet behandeld zou worden en dat het nalaten van navraag volledig voor rekening van de raadsman komt. Ook het beroep op eerdere jurisprudentie faalt omdat daar tijdig hoger beroep was ingesteld. De trage behandeling in cassatie is niet relevant omdat het vonnis van de politierechter al onherroepelijk was geworden.
Het cassatieberoep wordt verworpen wegens het niet-ontvankelijk zijn in hoger beroep. Er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het bestreden arrest. De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van het tijdig instellen van rechtsmiddelen na schorsing van de procedure.
Uitkomst: Verzoeker is terecht niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens overschrijding van de termijn na schorsing van de zaak.