ECLI:NL:PHR:2001:AD5303
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling samenlevingsverweer in alimentatiezaak volgens artikel 1:160 BW
In deze alimentatiezaak verzocht de man de rechtbank om de alimentatieplicht jegens de vrouw te beëindigen vanaf mei 1999, stellende dat de vrouw met een andere man samenleeft als ware zij gehuwd. De vrouw erkende een relatie, maar betwistte dat sprake was van samenwoning en een gemeenschappelijke huishouding. De rechtbank en het hof oordeelden dat de man onvoldoende bewijs had geleverd dat voldaan werd aan de vereisten van artikel 1:160 BW Pro.
Het hof bevestigde dat artikel 1:160 BW Pro strikt moet worden uitgelegd en dat een LAT-relatie, waarbij partners ieder een eigen woonruimte hebben en geen gemeenschappelijke huishouding voeren, niet gelijkgesteld kan worden aan een huwelijk. Het bewijsaanbod van de man werd daarom terecht gepasseerd omdat zijn stellingen, zelfs indien bewezen, niet tot het vervallen van de alimentatieplicht konden leiden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de man en bevestigde dat het hof terecht het bewijsaanbod niet ontvankelijk heeft verklaard. Hiermee blijft de alimentatieplicht van de man ongewijzigd. De uitspraak benadrukt de restrictieve toepassing van artikel 1:160 BW Pro en het belang van een duurzame affectieve relatie met samenwoning en gemeenschappelijke huishouding voor het samenlevingsverweer.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het bewijsaanbod terecht gepasseerd, waardoor de alimentatieplicht blijft bestaan.