ECLI:NL:PHR:2001:AD5323
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep bij bewijsopdracht in arbeidszaak over arbeidsovereenkomst
In deze arbeidsrechtelijke procedure stelde eiser dat tussen hem en verweerster een arbeidsovereenkomst bestond die onregelmatig was beëindigd, met vorderingen tot achterstallig loon. Verweerster betwistte dit en stelde dat eiser slechts werkervaring had opgedaan en de betalingen onkostenvergoedingen waren.
De kantonrechter wees de vorderingen grotendeels toe, oordeelde dat er een arbeidsovereenkomst was en verklaarde de mondeling overeengekomen proeftijd nietig. Verweerster ging in hoger beroep bij de rechtbank, die oordeelde dat het voorshands niet aannemelijk was dat er een arbeidsovereenkomst was, en gaf eiser een bewijsopdracht om dit aan te tonen.
Eiser stelde tussentijds cassatieberoep in tegen deze bewijsopdracht. De Hoge Raad stelde vast dat art. 399 Rv Pro tussentijds cassatieberoep tegen voorlopige beslissingen uitsluit, tenzij het een eindbeslissing betreft. De bewijsopdracht was geen eindbeslissing maar een voorlopige beoordeling, zodat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard.
Uitkomst: Het tussentijdse cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het gericht was tegen een voorlopige bewijsopdracht en niet tegen een eindbeslissing.