1 Deze feiten zijn ontleend aan het in zoverre onbestreden vonnis van de rechtbank Utrecht van 11 februari 1998, dat onder 1. 6 van deze conclusie ter sprake zal komen.
2 Tijdens dit verhoor hebben alle onder 1.2(b) genoemde personen als getuige een verklaring afgelegd.
3 De cassatiedagvaarding dateert van 24 februari 2000.
4 Veegens/ Korthals Altes/ Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, 1989, nr. 61, Hugenholtz/ Heemskerk, Hoofdlijnen, 1998, nr. 177 en Snijders/Wendels, Civiel appel, 1999, nr. 89.
5 HR 7 december 1990, NJ 1992, 85 en HR 13 januari 1995, NJ 1995, 482. In beide arresten heeft de Hoge Raad expliciet overwogen dat de rechter kan voorkomen dat de instructie van de zaak zal worden geblokkeerd als gevolg van een tussentijds beroep, door niet reeds in de vorm van een uitdrukkelijk dictum een einde te maken aan het geding omtrent een deel van het gevorderde.
6 Pitlo/Hidma, Bewijs, 1995, nr. 69; Losbl. Rv (Gerretsen), aant. 2 bij art. 189.
7 Parlementaire geschiedenis nieuw bewijsrecht, blz. 170.
8 HR 24 mei 1940, NJ 1941, 421.
9 Legendarisch is in het opzicht een Haarlemse kinderrechter van een jaar of twintig geleden die, vooral in zedenzaken - waarschijnlijk vanwege een zekere gêne over de desbetreffende materie - in haar dictaat van de door een verdachte afgelegde verklaring bij voorkeur placht te volstaan met de alles- en daardoor nietszeggende verklaring: "Ik heb het gedaan".
10 In een al wat ouder arrest (HR 23 maart 1984, NJ 1984, 568) heeft de Hoge Raad beslist dat een andere beoordeling door de appèlrechter van een eerste aanleg afgelegde getuigenverklaring dan waartoe de eerste rechter was gekomen, geen nadere motivering behoeft, ook al heeft de appèlrechter de getuige niet zelf gehoord. Zoals hierna zal blijken meen ik dat dit oordeel niet meer in deze ongekwalificeerde vorm staande kan worden gehouden.
11 In Duitsland is de appelrechter, die tot een afwijkende beoordeling van in eerste instantie geleverd en schriftelijk vastgelegd getuigenbewijs wil komen, in beginsel niet gehouden de getuigen opnieuw te horen op de enkele grond van die andere waardering. Het aantal uitzonderingen op deze hoofdregel is echter talrijk. Zo is de appelrechter wél tot een nieuw verhoor verplicht als hij het proces-verbaal van getuigenverhoor te vaag acht, als hij twijfelt aan de precieze betekenis van de formulering van proces-verbaal, als hij aan deze formulering een andere uitleg wil geven dan de eerste rechter heeft gedaan, als hij aan de verklaring een andere betekenis wil toekennen dan daaraan naar de regels van een grammaticale uitleg toekomt, als de opgenomen getuigenverklaring naar het oordeel van de appelrechter onduidelijk is, als de eerste rechter zijn oordeel mede op de geloofwaardigheid van de getuigen heeft gebaseerd en als de appelrechter zelf twijfels aan deze geloofwaardigheid heeft (Baumbach/Lauterbach, Zivilprozessordnung, 1997, aantt. 5 en 6 bij § 526 ZPO).
In Engeland, waar de zaak in hoger beroep - evenals in Duitsland - in volle omvang wordt behandeld, heeft een appèl ten aanzien van rechtsvragen in het algemeen een grotere kans van slagen dan ten aanzien van feitelijke vragen, meer in het bijzonder ten aanzien van waardering van bewijs. Dit laatste speelt het sterkst als in eerste instantie een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. In dat geval wordt uitsluitend vernietigd op grond van evidente fouten, tenzij ook in hoger beroep een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden (Campbell, International civil procedures, 1995, blz. 186).
In Finland kan de appelrechter slechts tot een andere beoordeling van in eerste instantie geleverd getuigenbewijs komen als afgelegde verklaringen letterlijk zijn uitgeschreven en in hoger beroep in het geding worden gebracht, tenzij de appelrechter de getuigen zelf hoort (Campbell, blz. 237).
In Zweden, waar de zaak in hoger beroep eveneens in volle omvang wordt behandeld, is het de appelrechter niet toegestaan tot een afwijkende beoordeling van getuigenbewijs te komen louter op basis van de stukken. Is de appelrechter daartoe toch geneigd, dan dient hij de getuigen zelf te horen (Campbell, blz. 635).
12 HR 23 maart 1984, NJ 1984, 568. De onderstrepingen zijn door mij aangebracht (A-G).
13 Mijn onderstepingen - A-G.
14 Inl. dagvaarding nr. 5.
15 MvA blz. 10. In de kern evenzo CvD nrs. 13-15.
16 Parl. gesch. Boek 3, blz. 164.
17 MvA II bij afd. 6.5.2, Parl. Gesch. Boek 6, blz. 877; Asser/Hartkamp 4-II, 2001, nr. 103.
18 Algemene opmerkingen bij afd. 6.5.2, TM nr. 3, Parl. Gesch. Boek 6, blz. 876. Zie voorts Asser/Hartkamp 4-II, 2001, nrs. 135-139.
19 Het subonderdeel zegt letterlijk: voorzover geen overeenkomst tot stand zou zijn gekomen. Dit uitgangspunt is in strijd met hetgeen het onderdeel verdedigt. Aangenomen moet dus worden dat hier sprake is van een kennelijke verschrijving.
20 Aldus onder meer Snijders/ Wendels, Civiel appel, 1999, nr. 101.
21 Blz. 11.
22 HR 10 juni 1988, NJ 1989, 30.