ECLI:NL:PHR:2001:AD5358

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/094HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 sub 8 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 5 lid 2 Cassatieregeling Nederlandse Antillen en ArubaArt. 5 lid 3 Cassatieregeling Nederlandse Antillen en ArubaArt. 7 Besluit termijnen Cassatieregeling Nederlandse Antillen en ArubaArt. 92 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Nederlandse Antillen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring exploit dagvaarding wegens gebrekkige betekening in cassatieprocedure

In deze zaak heeft eiser cassatie ingesteld tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. De dagvaarding voor het cassatieberoep werd gedaan door een deurwaarder van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, terwijl de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba voorschrijft dat dit door een deurwaarder van het Gemeenschappelijk Hof moet gebeuren.

Daarnaast werd het exploit van dagvaarding niet binnen de voorgeschreven termijn van veertien vrije dagen na betekening aangetekend in het register van het Hof, maar pas ruim vijf maanden later. Hierdoor vervalt het exploit van dagvaarding volgens de toepasselijke regelgeving.

Omdat verweerder niet is verschenen, moest de Hoge Raad de nietigheid van het exploit van dagvaarding uitspreken en kon geen verstek worden verleend. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot nietigverklaring van het exploit en weigering van verstek tegen verweerder.

Uitkomst: Exploit van dagvaarding is nietig verklaard en verstek tegen verweerder geweigerd wegens gebrekkige betekening.

Conclusie

Rolnr. C01/094HR (NA)
Mr L. Strikwerda
Zt. 12 okt. 2001
conclusie inzake
(concl. op verstek)
[Eiser]
tegen
[Verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. In deze zaak heeft eiser tot cassatie, hierna: [eiser], verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], bij exploit van 27 november 2000 gedagvaard om op 6 april 2001 te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad, met aanzegging dat hij beroep in cassatie instelt tegen het tussen partijen gewezen vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba d.d. 29 augustus 2000.
2. Het exploit van dagvaarding is op de voet van art. 4 onder Pro 8 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gedaan door een deurwaarder bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.
3. Blijkens een ondertekend schrijven d.d. 11 juni 2001 van de Griffier van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is van het exploit van dagvaarding op 15 mei 2001 aantekening gedaan in het daartoe bestemde register ter griffie van dat Hof.
4. Ter zitting van 6 april 2001 is de zaak uitgeroepen. [Eiser] is op deze zitting verschenen. [Verweerder] verscheen niet. [Eiser] verzocht tegen [verweerder] verstek te verlenen.
5. Hoewel niet gebruikelijk, is het instellen van beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie bij dagvaarding mogelijk. Zie art. 5 van Pro de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Het instellen van het cassatieberoep langs deze weg is echter niet zonder risico's, omdat de regeling van het betekenen van de cassatiedagvaarding gebrekkig is. Zie D.J. Veegens, Cassatie in burgerlijke zaken, 3e dr. bew. door E. Korthals Altes en H.A. Groen, 1989, nr. 133. Zie voorts M.M.M. Tillema en R.P.J.L. Tjittes, Hoger beroep en cassatie in Antilliaanse en Arubaanse civiele zaken, TAR-Justicia 1993, blz. 85 e.v., blz. 93/94.
6. De onderhavige dagvaarding lijdt aan gebreken die aan het verlenen van verstek tegen [verweerder] in de weg staan. In de eerste plaats is, anders dan art. 5 lid 2 van Pro de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba voorschrijft, het exploit van dagvaarding niet gedaan door de deurwaarder bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, doch door een deurwaarder bij de Arrondissementsrechbank te 's-Gravenhage. Bovendien is het exploit niet gedaan op de wijze als voorgeschreven door het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Nederlandse Antillen, doch kennelijk op de wijze als bedoeld in art. 4 sub Pro 8 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voorts is niet gebleken dat het exploit van dagvaarding binnen de door art. 5 lid 3 van Pro de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba jo. art. 7 van Pro het Besluit termijnen Cassatieregeling Nederlandse Antillen en Aruba van 25 januari 1965, Stb. 1965, 33, voorschreven termijn van veertien vrije dagen na het tijdstip waarop het exploit van dagvaarding is gedaan, is aangetekend in het daartoe ter griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie bestemde register. Het exploit is blijkens het schrijven d.d. 11 juni 2001 van de Griffier van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie eerst op 15 mei 2001, derhalve ruim vijf maanden na het tijdstip waarop het exploit is gedaan (27 november 2000), aangetekend in dat register. Dit gebrek leidt ingevolge art. 5 lid 3 van Pro de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba tot verval van het exploit van dagvaarding.
7. Nu [verweerder] niet is verschenen, moet ingevolge art. 92 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Nederlandse Antillen de nietigheid van het exploit worden uitgesproken en kan tegen [verweerder] geen verstek worden verleend.
De conclusie strekt tot nietigverklaring van het exploit van dagvaarding en tot weigering van het tegen [verweerder] gevraagde verstek.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,