ECLI:NL:PHR:2001:AD5365

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/071HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 313 FwArt. 63 FwArt. 426a lid 2 RvArt. 292 lid 4 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens algehele gemeenschap van goederen

Verzoekster en haar man hebben afzonderlijk verzoeken ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft beide verzoeken afgewezen, waarbij het verzoek van verzoekster is afgewezen op grond van haar huwelijk in algehele gemeenschap van goederen met haar man, wiens verzoek eveneens was afgewezen.

Verzoekster stelde in hoger beroep dat de rechtbank haar man verkeerd had begrepen, maar het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het verzoek van verzoekster eveneens afgewezen vanwege de gemeenschap van goederen.

In cassatie klaagt verzoekster dat het hof ten onrechte haar verzoek heeft afgewezen op grond van het bekrachtigen van het vonnis tegen haar man, maar deze klacht faalt omdat het hof niet heeft geoordeeld dat de vrees voor benadeling van schuldeisers door haar man bepalend was, maar dat het bekrachtigen van het vonnis tegen haar man ook gevolgen heeft voor haar verzoek.

De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt daarmee de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering van verzoekster.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot schuldsaneringsregeling wordt afgewezen vanwege de algehele gemeenschap van goederen met haar man.

Conclusie

Reknr R01/071
Parket 9 november 2001
Conclusie mr J. Spier inzake
[Verzoekster]
1. Feiten en procesverloop
1.1 [Verzoekster] heeft - evenals haar man [betrokkene A] - de Rechtbank Haarlem bij op 10 april 2001 ingediend verzoekschrift verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.
1.2 De Rechtbank heeft [verzoekster] en haar man [betrokkene A] ter terechtzitting van 17 april 2001 gehoord. [Betrokkene A] heeft verklaard dat het verzoek is ingegeven door de omstandigheid dat hij en zijn vrouw regelmatig deurwaarders aan de deur krijgen. Het is inmiddels, aldus [betrokkene A], niet meer mogelijk om met hen een regeling te treffen. Hij lijdt nog aan een gokverslaving; hij gokt als hij geld heeft.
1.3 [Verzoekster] heeft meegedeeld dat ze zich niet zo zeer bezighoudt met het gokken van haar man. Zij en haar man kunnen moeilijk van hun uitkering rondkomen.
1.4 In haar vonnis van 17 april 2001 heeft de Rechtbank het verzoek van [betrokkene A] afgewezen; ik moge daarvoor verwijzen naar mijn conclusie van heden in die zaak met rolnummer R 01/070.
1.5 Het verzoek van [verzoekster] is eveneens afgewezen. Zulks op de grond dat zij met haar man in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd zodat de afwijzing van zijn verzoek tevens moet leiden tot een afwijzing van haar verzoek. Dit oordeel is gegrond op art. 313 Fw Pro jo art. 63 Fw Pro.
1.6 [Verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld. In haar beroepschrift betoogt zij dat de Rechtbank de verklaring van haar man verkeerd heeft begrepen. Voor het overige verwijst zij naar dat dat schriftuur.
1.7 Bij de mondelinge behandeling ten Hove heeft [verzoekster] verklaard dat "sinds vorig jaar (...) er voor ƒ 400,- (is) vergokt". Haar man en zij hebben "daar" geen hulp bij.
1.8 Het Hof geeft in de eerste plaats aan dat en waarom het door haar man bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het voegt daaraan toe dat [verzoekster] in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met [betrokkene A]. Dat brengt mee dat ook in haar zaak het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.
1.9 [Verzoekster] heeft tijdig(1) cassatieberoep ingesteld. Het schriftuur is gesteld op briefpapier van mr Meijer, advocaat te Haarlem en ingediend door mr Perquin, advocaat te Zoetermeer.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Het middel vertolkt de klacht dat de door het Hof bijgebrachte - hierboven onder 1.8 genoemde - grond er niet toe kan leiden dat ook haar verzoek wordt afgewezen.
2.2 Deze klacht faalt reeds omdat de Rechtbank zich in gelijke zin had uitgelaten en tegen dat oordeel geen grief is gericht.
2.3 De klacht berust bovendien op een verkeerde lezing. Het Hof heeft niet geoordeeld dat de omstandigheid dat gegronde vrees bestaat dat haar man schuldeisers zal benadelen ertoe leidt dat ook het beroep van [verzoekster] vruchteloos is. Het Hof heeft slechts geoordeeld dat de omstandigheid dat het door haar man bestreden vonnis wordt bekrachtigd, meebrengt dat hetzelfde geldt voor het vonnis dat zij bestrijdt.
2.4 Hier komt nog bij dat de klacht niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv. voldoet omdat zij blijft steken in een stelling die in geen enkel opzicht wordt onderbouwd.
2.5 Ten overvloede: 's Hofs oordeel is juist. Zie HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 PvS rov. 3.3.
2.6 Uit het voorafgaande blijkt m.i. dat hier sprake is van een nogal kras geval. Mij is uiteraard bekend dat Uw Raad aan - klaarblijkelijk - feitelijk door advocaten die niet behoren tot de balie bij de Hoge Raad der Nederlanden ingediende verzoekschriften tot op heden geen niet-ontvankelijkheid-verklaring heeft willen verbinden. Ook recente pogingen de Hoge Raad daartoe te verleiden hebben schipbreuk geleden. Daarom lijkt het niet zinvol wederom in die zin te concluderen.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 De cassatietermijn is ingevolge art. 292, vierde lid Fw acht dagen.