ECLI:NL:PHR:2001:AD5593
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt redelijke verdenking bij aanhouding in eethuis wegens drugshandel
De zaak betreft de aanhouding van een verdachte in een eethuis waar politie optrad naar aanleiding van klachten en waarnemingen van drugsoverlast. Het hof oordeelde dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan drugshandel, mede gebaseerd op observaties van politiefunctionarissen die handel in verdovende middelen hadden vastgesteld bij het eethuis.
De verdachte werd veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf wegens overtreding van de Wet wapens en munitie en de Opiumwet. In hoger beroep voerde de verdediging aan dat er geen redelijk vermoeden van schuld was en dat het bewijs onrechtmatig was verkregen. Dit verweer werd door het hof verworpen op grond van de waarnemingen en omstandigheden rondom het eethuis.
De Hoge Raad bevestigde dat onder omstandigheden het aanwezig zijn op een plaats waar strafbare feiten vermoed worden, kan leiden tot een redelijke verdenking. De waarnemingen van de politie bij het eethuis rechtvaardigden volgens de Hoge Raad de aanhouding en fouillering van de verdachte.
Echter, de Hoge Raad vernietigde het vonnis voor wat betreft de strafoplegging omdat het hof geen gemotiveerde beslissing had gegeven over het afwijzen van het aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte. De zaak werd verwezen naar het hof Amsterdam voor hernieuwde beoordeling van de strafoplegging.
Uitkomst: De aanhouding was rechtmatig, maar het vonnis werd vernietigd wegens onvoldoende motivering van de strafoplegging.