ECLI:NL:PHR:2001:AD5829
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepasselijkheid Nederlands recht en bevoegdheid rechtbank bij echtscheiding met internationale elementen
Partijen zijn in de Verenigde Staten gehuwd en hebben een dochter. De vrouw, met Nederlandse nationaliteit, verzocht de rechtbank Utrecht om echtscheiding uit te spreken. De man, met Amerikaanse nationaliteit, voerde verweer tegen de echtscheiding en betwistte de bevoegdheid van de Nederlandse rechtbank en de toepasselijkheid van Nederlands recht.
De rechtbank oordeelde bevoegd te zijn omdat de vrouw langer dan zes maanden woonplaats in Nederland had en het Nederlandse recht toepasselijk was op grond van de Wet conflictenrecht echtscheiding (WCE). Het hof bekrachtigde dit oordeel en verwierp de bezwaren van de man, onder meer omdat de vrouw haar woonplaats in Nederland niet had opgegeven en er geen rechtsgeldige rechtskeuze was gemaakt voor het recht van de staat New York.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de man. Het hof had terecht geoordeeld dat het begrip woonplaats in art. 814 Rv Pro verwijst naar woonplaats in de zin van art. 1:10 BW Pro en niet naar feitelijke verblijfplaats. De vrouw had haar woonplaats in Nederland behouden. Ook was het Nederlandse recht toepasselijk omdat partijen geen gemeenschappelijke nationaliteit hadden en niet in hetzelfde land verbleven. De man kon zich niet beroepen op niet-ontvankelijkheid wegens betekeningstekortkomingen omdat hij in eerste aanleg was verschenen.
Het arrest bevestigt de uitleg van woonplaatsbegrip en de toepassing van de WCE bij internationale echtscheidingen zonder rechtskeuze, waarbij het Nederlandse recht kan gelden bij afwezigheid van gemeenschappelijke nationaliteit en verblijfplaats.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen; de Nederlandse rechtbank is bevoegd en Nederlands recht is toepasselijk.