ECLI:NL:PHR:2001:ZC3647
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid overeenkomst over erfpachtrecht ondanks statutaire machtigingsvereiste
De Stichting Het Utrechts Monumentenfonds (UMF) had het recht van erfpacht op een perceel grond, waarvan een deel (perceel C) in geschil was met verweerster. Verweerster had een perceel met achterhuizen gekocht en wilde ook perceel C verwerven, dat deel uitmaakte van de tuin bij een woning die UMF verhuurde aan een derde.
Het bestuur van UMF had in 1993 een bestuursbesluit genomen om akkoord te gaan met de overdracht van het erfpachtrecht van perceel C aan verweerster zodra de huurder zou vertrekken. Dit besluit werd schriftelijk meegedeeld door een bestuurslid en directeur, die als gevolmachtigde handelde. Verweerster stelde dat hierdoor een overeenkomst tot stand was gekomen.
UMF voerde aan dat het bestuursbesluit niet rechtsgeldig was omdat het ontbrak aan voorafgaande machtiging van burgemeester en wethouders van Utrecht, zoals vereist in de statuten. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat het ontbreken van toestemming deel uitmaakte van het gevorderde en dat UMF pas een beroep kon doen op nietigheid als die toestemming ontbrak na verzoek.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof, dat het bestuursbesluit externe werking had en dat de mededeling door een gevolmachtigde voldoende was voor het totstandkomen van de overeenkomst. Ook werd bevestigd dat statutaire beperkingen aan vertegenwoordigingsbevoegdheid in beginsel intern werken en dat het ontbreken van voorafgaande machtiging niet automatisch tot nietigheid leidt, zolang de toestemming achteraf kan worden gegeven.
De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten van UMF en bevestigde dat de overeenkomst rechtsgeldig tot stand was gekomen, waarbij de rechten van de zittende huurder gerespecteerd moeten worden.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van UMF en bevestigde dat het bestuursbesluit rechtsgeldig was en de overeenkomst tot stand was gekomen.