ECLI:NL:PHR:2001:ZC3648

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
R00/153HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 sub a FwArt. 350 lid 3 sub c FwArt. 350 lid 3 sub e FwArt. 350 lid 5 FwArt. 63 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling en gevolgen voor echtgenoten in gemeenschap van goederen

De Rechtbank Assen sprak in oktober 1999 de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uit voor echtgenoten die in gemeenschap van goederen waren gehuwd. De bewindvoerder verzocht in september 2000 om beëindiging van de regeling wegens niet-nakoming van verplichtingen en benadeling van schuldeisers, wat automatisch tot faillissement leidt. De Rechtbank beëindigde daarop de regeling voor beiden, maar wees het verzoek van verzoekster af om beëindiging op grond van een andere wettelijke grond.

In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof Leeuwarden het vonnis, waarbij het oordeelde dat verzoekster geen belang had bij haar verzoek tot beëindiging van de regeling, omdat het faillissement van haar echtgenoot volgens art. 63 Fw Pro als faillissement van de gemeenschap wordt behandeld. Verzoekster ging hiertegen in cassatie.

De Hoge Raad stelt dat het faillissement van de ene echtgenoot niet automatisch het faillissement van de andere betekent, ook niet bij gemeenschap van goederen. Het oordeel van het Hof dat verzoekster geen belang had bij haar verzoek is onjuist en onvoldoende gemotiveerd. Verzoekster heeft wel degelijk belang bij het voorkomen van haar persoonlijk faillissement, ook om privévermogen buiten beslag te houden.

De Hoge Raad verklaart het middel gegrond en vernietigt het arrest van het Hof, verwijzend naar een nadere behandeling van het verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoekster.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling van het verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoekster.

Conclusie

Rek.nr. R00/153HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 4 mei 2001
conclusie inzake
[Verzoekster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij twee afzonderlijke vonnissen d.d. 19 oktober 1999 heeft de Rechtbank te Assen de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten [betrokkene A] en [verzoekster], in beide gevallen met benoeming van mr M. Sarneel als bewindvoerder.
2. De bewindvoerder heeft op 8 september 2000 de Rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van zowel [betrokkene A] als [verzoekster] te beëindigen, zulks omdat de schuldenaren een of meer van hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zouden nakomen (art. 350 lid 3 sub c Fw Pro) en/of zouden trachten hun schuldeisers te benadelen (art. 350 lid 3 sub e Fw Pro). Beëindiging van toepassing de schuldsaneringsregeling op deze gronden leidt van rechtswege tot het faillissement van de schuldenaren (art. 350 lid 5 Fw Pro). De rechter-commissaris heeft op 16 oktober 2000 de Rechtbank schriftelijk bericht het verzoek van de bewindvoerder te onderschrijven.
3. [Verzoekster] heeft de Rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar op de voet van art. 350 lid 3 sub a Fw Pro te beëindigen, in welk geval art. 350 lid 5 Fw Pro (faillissement van rechtswege) niet van toepassing is. Zij stelde daartoe dat zij bij haar verklaring schuldsanering een hele lijst schulden heeft opgegeven, maar dat die lijst niet correct is. Zij verkeerde in de onjuiste veronderstelling vennoot in een vof met haar echtgenoot te zijn. Ten aanzien van een drietal schulden waarvoor [verzoekster] wel meent hoofdelijk aansprakelijk te zijn, geldt dat één schuldeiser geen vordering ter verificatie in de schuldsanering heeft ingediend en dat de andere schuldeiser zich bereid heeft verklaard de ingediende vordering op [verzoekster] buiten invordering te stellen, aldus [verzoekster].
4. Bij vonnis van 31 oktober 2000 heeft de Rechtbank overeenkomstig het verzoek van de bewindvoerder de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van zowel [betrokkene A] als [verzoekster] op grond van art. 350 lid 3 sub c en Pro e Fw beëindigd. Het verzoek van [verzoekster] tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3 sub a Fw Pro wees de Rechtbank af, zulks op grond van de overweging dat het drietal door [verzoekster] bedoelde vorderingen niet zijn voldaan.
5. [Betrokkene A] en [verzoekster] zijn van het vonnis van de Rechtbank in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden, doch tevergeefs: bij arrest van 22 november 2000 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.
6. Ten aanzien van [betrokkene A] was het Hof van oordeel dat deze in strijd heeft gehandeld met zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en dat hij heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen (r.o. 7), zodat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [betrokkene A] op grond van het bepaalde in art. 350 lid 3 sub c en Pro e Fw moet worden beëindigd (r.o. 9).
7. Met betrekking tot het verzoek van [verzoekster] tot beëindiging ten aanzien van haar van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3 onder Pro a Fw, overwoog het Hof onder meer:
"10. Uit het feit dat [verzoekster] in gemeenschap van goederen is gehuwd met [betrokkene A] vloeit voort dat zowel tijdens de op [betrokkene A] van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling als in de situatie dat [betrokkene A] (van rechtswege) in staat van faillissement verkeert, het bepaalde in art. 63 Fw Pro (ten aanzien van de schuldsaneringsregeling middels art. 313 Fw Pro) van toepassing is.
11. Gelet op rechtsoverweging 10 in samenhang met het oordeel van het hof dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [betrokkene A] moet worden beëindigd waardoor [betrokkene A] van rechtswege in staat van faillissement komt te verkeren, heeft [verzoekster] geen belang bij de behandeling van haar verzoek (...)."
8. [Verzoekster] is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen.
9. In het cassatierekest wordt een middel aangevoerd (cassatierekest onder 2 t/m 6) tegen het oordeel van het Hof, in r.o. 11, dat [verzoekster] als gevolg van het bepaalde in art. 63 Fw Pro geen belang heeft bij haar verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling te haren aanzien op de voet van art. 350 lid 3 sub a Fw Pro. Het Hof zou hebben miskend dat het faillissement van haar echtgenoot niet noodzakelijk haar faillissement meebrengt, ook niet nu zij en haar echtgenoot in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, althans zou het oordeel van het Hof dat [verzoekster] geen belang heeft bij de behandeling van haar verzoek zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk zijn.
10. Ingevolge art. 63 Fw Pro wordt het faillissement van de echtgenoot die in enige gemeenschap van goederen is gehuwd behandeld als faillissement van die gemeenschap. Dit betekent dat de failliete boedel niet alleen het privévermogen van de failliet, maar ook - binnen de grenzen van enerzijds art. 61 Fw Pro en anderzijds art. 22 Fw Pro - het gemeenschapsvermogen omvat. Zie N.J. Polak, Faillissementsrecht, 8e dr. bew. door C.E. Polak, 1999, blz. 133 e.v., en Kluwers Faillissementswet, losbl., art. 63 aant Pro. 1. Uit art. 63 Fw Pro volgt echter niet dat het faillissement van een in enige gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot het faillissement van de andere echtgenoot meebrengt. Zie HR 27 februari 1959, NJ 159, 556 nt. HB. Zie ook de conclusie OM (A-G Asser) onder 2.10 e.v. voor HR 6 december 1991, NJ 1992, 152.
11. Hieruit volgt dat, indien de beslissing van het Hof, dat [verzoekster] geen belang heeft bij de behandeling van haar verzoek, berust op het oordeel dat uit art. 63 Fw Pro volgt dat het faillissement van [betrokkene A] meebrengt dat [verzoekster] ook gefailleerde in de zin der wet zou zijn (daarop wijst dat het Hof het vonnis van de Rechtbank heeft bekrachtigd zonder te hebben vastgesteld dat ook ten aanzien van [verzoekster] sprake is van de gronden als bedoeld in art. 350 lid 3 sub c en Pro e Fw), het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
12. Maar ook indien het Hof wel de juiste betekenis van art. 63 Fw Pro voor ogen heeft gehad, meen ik dat zijn beslissing cassatietoetsing niet kan doorstaan. Zelfs indien ervan uitgegaan moet worden dat [verzoekster] geen privévermogen heeft (zie het verzoekschrift in hoger beroep, blz. 2, eerste alinea) en het belang van [verzoekster] dus niet ligt in de bescherming van haar privévermogen tegen faillissementsbeslag, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk waarom [verzoekster] geen belang zou hebben bij het voorkomen van haar faillissement. In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat alleen ten aanzien van [betrokkene A] sprake is van aanwezigheid van de gronden als bedoeld in art. 350 lid 3 sub c en Pro e Fw, is, indien [verzoekster] de grond waarop haar verzoek berust (art. 350 lid 3 sub a Fw Pro) weet waar te maken, geen redelijk belang met haar persoonlijk faillissement gediend (zie reeds HR 5 mei 1916, NJ 1916, blz. 592). Aan de andere kant moet worden aangenomen dat [verzoekster] belang heeft om verschoond te blijven van een persoonlijk faillissement, al was het maar - nog afgezien van de inbreuken op haar persoonlijke vrijheid als gevolg van een faillissement en het diffamerend effect van een persoonlijk faillissement - om privévermogen dat aan haar zijde mocht opkomen (art. 1:94 lid 1 en Pro 3) hangende het faillissement van [betrokkene A] buiten het faillissementsbeslag te houden. Waarom [verzoekster] in dit belang geen bescherming verdient, blijkt niet uit het bestreden arrest.
13. Naar mijn oordeel is het middel derhalve, zo al niet in zijn rechtsklacht, dan toch in zijn motiveringsklacht, gegrond.
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,