ECLI:NL:PHR:2001:ZC3648
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldsaneringsregeling en gevolgen voor echtgenoten in gemeenschap van goederen
De Rechtbank Assen sprak in oktober 1999 de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uit voor echtgenoten die in gemeenschap van goederen waren gehuwd. De bewindvoerder verzocht in september 2000 om beëindiging van de regeling wegens niet-nakoming van verplichtingen en benadeling van schuldeisers, wat automatisch tot faillissement leidt. De Rechtbank beëindigde daarop de regeling voor beiden, maar wees het verzoek van verzoekster af om beëindiging op grond van een andere wettelijke grond.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof Leeuwarden het vonnis, waarbij het oordeelde dat verzoekster geen belang had bij haar verzoek tot beëindiging van de regeling, omdat het faillissement van haar echtgenoot volgens art. 63 Fw Pro als faillissement van de gemeenschap wordt behandeld. Verzoekster ging hiertegen in cassatie.
De Hoge Raad stelt dat het faillissement van de ene echtgenoot niet automatisch het faillissement van de andere betekent, ook niet bij gemeenschap van goederen. Het oordeel van het Hof dat verzoekster geen belang had bij haar verzoek is onjuist en onvoldoende gemotiveerd. Verzoekster heeft wel degelijk belang bij het voorkomen van haar persoonlijk faillissement, ook om privévermogen buiten beslag te houden.
De Hoge Raad verklaart het middel gegrond en vernietigt het arrest van het Hof, verwijzend naar een nadere behandeling van het verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoekster.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling van het verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoekster.