ECLI:NL:PHR:2001:ZC3663
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging huurovereenkomst wegens ontruiming en vergaan gehuurde door overheidsmaatregel
De huurder had een gemeubileerde kamer gehuurd in een pand dat door de gemeente ontruimd werd vanwege het niet voldoen aan brandveiligheidseisen en het ontbreken van een gebruiksvergunning voor bedrijfsmatig woonverblijf. De huurder stelde dat de aanschrijving geen betrekking had op zijn kamer en dat het pand slechts gedeeltelijk onbewoonbaar was. De kantonrechter en rechtbank oordeelden dat de huurovereenkomst van rechtswege was geëindigd op grond van art. 7A:1589 BW omdat het gehuurde door overmacht was vergaan.
De Hoge Raad stelt dat het oordeel van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd, met name omdat niet is vastgesteld dat het gebruik van de kamer door de huurder blijvend onmogelijk is geworden en omdat de bestuursrechtelijke aanschrijving niet onherroepelijk was. Ook is onvoldoende onderzocht of de verhuurder daadwerkelijk overmacht kon inroepen, gelet op haar onderhoudsverplichtingen en de voorzienbaarheid van de situatie.
De Hoge Raad benadrukt dat het begrip 'vergaan' in art. 7A:1589 BW niet alleen stoffelijk tenietgaan betekent, maar ook het blijvend onmogelijk maken van het genot van het gehuurde. De rechtbank had de beslissing kunnen uitstellen in afwachting van de bestuursrechtelijke procedure. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling.
Uitkomst: Het vonnis wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof voor nadere beoordeling.