ECLI:NL:PHR:2001:ZC3672
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging gezamenlijk ouderlijk gezag en afwijzing omgangsregeling wegens communicatieproblemen en belangen van het kind
De zaak betreft een geschil tussen ouders over het gezamenlijk ouderlijk gezag en de omgangsregeling na hun echtscheiding. De vader, die sinds 1990 gedetineerd is en een terbeschikkingstelling ondergaat, verzocht om voortzetting van het gezamenlijk gezag en vaststelling van een omgangsregeling met zijn jonge kind. De moeder verzocht om het gezag alleen aan haar toe te kennen en de omgangsregeling af te wijzen.
Het hof oordeelde dat het vertrouwen van de moeder in de vader fundamenteel beschadigd is en dat de communicatie tussen hen zodanig slecht is dat gezamenlijke gezagsuitoefening niet mogelijk is. Voorts werd geoordeeld dat een omgangsregeling op dit moment te belastend is voor het kind vanwege de spanningen bij de moeder en de ongeschikte verblijfplaats van de vader in een forensisch psychiatrisch centrum.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vader. Het hof heeft voldoende gemotiveerd waarom het gezag aan één ouder is toegekend en waarom de omgangsregeling is afgewezen. De Hoge Raad bevestigt dat het belang van het kind voorop staat en dat het ontbreken van goede communicatie tussen ouders een gerechtvaardigde grond kan zijn voor het beëindigen van gezamenlijk gezag en het afwijzen van omgangsregelingen.
Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling wordt afgewezen in het belang van het kind.